Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5212
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2135 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 april 2004, 03/243 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP



Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2006. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M. Wiersma.




II. OVERWEGINGEN


Aan appellante is in 1989 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% in verband met klachten van spanningshoofdpijn en migraine.

In het kader van de vijfdejaarsherbeoordeling heeft het Uwv bij primair besluit van 28 oktober 2002 het arbeidsongeschiktheidspercentage per 24 december 2002 herzien en nader vastgesteld op 15-25.

Bij beslissing op bezwaar van 21 februari 2003 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard na medische heroverweging.

Tegen dit besluit heeft appellante tijdig beroep ingesteld bij de rechtbank Leeuwarden.

Bij besluit van 26 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de beslissing op bezwaar van 21 februari 2003 in die zin gewijzigd dat het bezwaar, op arbeidskundige gronden, alsnog gegrond is verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage is verhoogd naar 55-65.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep onder toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het bestreden besluit. Zij heeft het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2003 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met voorzieningen ten aanzien van wettelijke rente, griffierecht en proceskosten. Wat betreft het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanwijzingen heeft kunnen vinden dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig zou zijn geweest of dat dit zou zijn gebaseerd op onjuiste medische gegevens. Ten aanzien van het door appellante ingediende rapport van medisch adviseur D.J. Schakel van 3 december 2003 is de rechtbank van oordeel dat deze zijn conclusie dat appellante sterker beperkt is dan aangegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) en in verband hiermee niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten, onvoldoende heeft onderbouwd. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling ziet de rechtbank geen aanleiding om tot vernietiging over te gaan ondanks het feit dat het Uwv in de bezwaarfase heeft nagelaten een bezwaararbeidsdeskundige in te schakelen, aangezien in beroep alsnog een arbeidskundige heroverweging heeft plaatsgevonden en de rechtbank niet gebleken is dat appellante hierdoor benadeeld is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit de gedetailleerde beschrijvingen van de uiteindelijk door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies blijkt dat deze belastingen de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante niet te boven gaan. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat (kort samengevat) haar beperkingen, zoals neergelegd in de FML, zijn onderschat en zij niet in staat is om de voorgehouden functies te verrichten, waarbij zij heeft verwezen naar het rapport van Schakel, voornoemd, van 3 december 2003 alsmede zijn aanvullend commentaar van 20 februari 2004. Voorts heeft zij gesteld dat de functies destijds niet met haar besproken zijn en dat zij in die zin wel degelijk benadeeld is.

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de medische beoordeling zorgvuldig is geweest en stelt zich volledig achter de overwegingen van rechtbank inzake het door de (bezwaar)verzekerings-arts verrichte medisch onderzoek en de waarde van de rapportages van Schakel, voornoemd. De in hoger beroep bij schrijven van 9 mei 2006 ingebrachte medische informatie ziet niet op de medische situatie van appellante op de datum in geding, 24 december 2002, en geeft de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid van appellante per deze datum.

Wat betreft de arbeidskundige beoordeling is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante, gelet op de FML, op de datum in geding in staat geacht moet worden tot het verrichten van de aan die functies verbonden werkzaamheden, en stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake. Wat betreft het argument, ter zitting van de Raad aangedragen door appellante, dat zij niet kan werken in stoffige ruimtes wijst de Raad erop dat het Uwv de functie van heftruckchauffeur uiteindelijk heeft laten vervallen. De bijzondere belasting op dit punt bij de functie van productiemedewerker industrie levert, naar het oordeel van de Raad, geen overschrijding op van de FML, aangezien het, ten gevolge van goede afzuiging, een minimale hoeveelheid soldeerdamp betreft.

Wat betreft het punt van de bespreking van de functies, verwijst de Raad naar het rapport van de arbeidsdeskundige M.E. van der Molen van 23 oktober 2002, onder punt 2.2.5.: Gesprek met verzekerde. De Raad heeft geen aanwijzingen om te twijfelen aan het door de arbeidskundige vermelde inzake bespreking van de geselecteerde functies met appellante.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x