Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5224
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering met terugwerkende kracht. Terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Anticumulatie.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3209 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2004, 02/1269 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 26 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M. Dickhoff, advocaat te Diemen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van ‘t Oor. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. L. Roumen, kantoorgenoot van mr. Dickhoff.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB).

Betrokkene, voorheen werkzaam als nieuwbouwschilder, is uitgevallen met knieklachten en later ook psychische klachten. Sedert september 1991 ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke per 21 december 1992 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 24 februari 1998 heeft betrokkene telefonisch aan een arbeidsdeskundige van appellant meegedeeld dat hij 10 uur per week licht schilderwerk zou gaan verrichten, waarmee hij ongeveer f 200,- bruto per week zou verdienen. Blijkens de gedingstukken hebben deze inkomsten geen gevolg gehad voor de hoogte van de aan betrokkene uitbetaalde WAO-uitkering. Per 10 juli 1998 is betrokkene met deze werkzaamheden gestopt, hetgeen hij appellant in juni 1999 heeft meegedeeld.

In 1999 heeft de Belastingdienst een onderzoek gestart tegen de laatste werkgever van betrokkene, Color International B.V. te Huizen (hierna: Color) en haar directeur P., hetgeen heeft geresulteerd in een onderzoek door de Fiod, aangifte van belastingfraude en een onderzoek door uitvoeringsinstelling Cadans naar premiefraude. Bij deze onderzoeken is aan het licht gekomen dat betrokkene reeds sedert 1995 werkzaamheden als schilder verrichtte. Nadat deze onderzoeken ter kennis waren gebracht van het SFB, is een onderzoek ingesteld wegens verdenking van werknemersfraude door betrokkene.
Uit dit onderzoek is gebleken dat betrokkene in de periode van 20 februari 1995 tot 10 juli 1998 een groot deel van het jaar voor Color werkzaamheden als schilder heeft verricht, die hij noch bij de Belastingdienst noch bij het SFB heeft gemeld.

Op 9 februari 2000 is betrokkene onderzocht door een verzekeringsarts die, mede op basis van informatie van de huisarts van betrokkene, twee belastbaarheidspatronen opstelde, een voor de periode 20 februari 1995 tot 9 februari 2000 en een voor de periode daarna. Een arbeidsdeskundige achtte betrokkene nog steeds ongeschikt voor het werk van nieuwbouwschilder, maar wel geschikt voor uit het Functie Informatie Systeem geselecteerde functies, waarmee het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene per 20 februari 1995 uitkwam op 31%. Dienovereenkomstig heeft appellant bij besluit van 5 oktober 2000 (besluit 1) de WAO-uitkering van betrokkene met terugwerkende kracht tot 20 februari 1995 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Vervolgens heeft appellant onder toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO de verdiensten van betrokkene uit zijn werkzaamheden als schilder geanticumuleerd met de tot 1 oktober 2000 uitbetaalde WAO-uitkering. Dit resulteerde in een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid over de periode van 20 februari 1995 tot 6 maart 1996 van 15 tot 25% en van minder dan 15% over de jaren 1996 vanaf 6 maart, 1997 alsmede over de periode van 1 januari 1998 tot 20 februari 1998. Vervolgens heeft appellant met toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 20 februari 1998 ingetrokken, hetgeen betrokkene is meegedeeld bij besluit van eveneens 5 oktober 2000 (besluit 2).

Bij een derde besluit van 5 oktober 2000 (besluit 3) heeft appellant van betrokkene een bedrag van f 251.253,99 (€ 114.014,09) bruto inclusief overhevelingstoeslag aan over de periode van 20 februari 1995 tot en met 30 september 2000 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd.

Ten slotte heeft appellant bij een vierde besluit van 5 oktober 2000 aan betrokkene betaalde eindejaarsuitkering teruggevorderd.

Namens betrokkene is tegen alle vier besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 8 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant de door betrokkene feitelijk verrichte werkzaamheden terecht niet heeft aangemerkt als werkzaamheden als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO. De rechtbank is echter van oordeel dat er onvoldoende indicatie bestond voor een theoretische schatting met terugwerkende kracht tot 20 februari 1995, met name omdat de door de arbeidsdeskundige op 7 augustus 2000 geselecteerde functies met terugwerkende kracht tot 20 februari 1995 aan de schatting ten grondslag waren gelegd.
De rechtbank was voorts van oordeel dat appellant terecht toepassing had gegeven aan artikel 44, eerste lid, van de WAO, en dat daarbij terecht was uitgegaan van schattenderwijs vastgestelde inkomsten, maar omdat het herzieningsbesluit niet in stand kon blijven, had appellant bij de anticumulatie moeten uitgaan van een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant per 20 februari 1998 terecht toepassing gegeven aan artikel 44, tweede lid, van de WAO. Daarbij had appellant er, gezien de in dat artikel neergelegde wettelijke fictie, wel van uit dienen te gaan dat de door betrokkene verrichte schilderwerkzaamheden voor hem geschikt waren, aldus de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en bepalingen gegeven ten aanzien van vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellant stelt zich op het standpunt dat voldoende indicaties voor een schatting met terugwerkende kracht aanwezig waren. Appellant meent dat de rechtbank met haar uitspraak heeft bedoeld aan te geven dat de aan de schatting per 20 februari 1995 ten grondslag gelegde functies voor die datum aan betrokkene hadden moeten zijn aangezegd en dat ze daarom niet aan de schatting ten grondslag mochten worden gelegd.
Appellant bestrijdt dit oordeel onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 april 1994, LJN ZB5385, RSV 1994/260, en stelt dat in een situatie als de onderhavige, waarin de betrokkene zijn verdiencapaciteit met “zwarte” werkzaamheden heeft benut, een aanzegging van functies voorafgaande aan de intrekking niet is vereist en dat ook geen uitlooptermijn behoefde te worden gegund.
Voorts is appellant van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het gehele bestreden besluit heeft vernietigd, nu de rechtbank de toepassing van artikel 44, eerste en tweede lid, van de WAO alsmede de terugvordering heeft onderschreven.

Hangende het hoger beroep heeft appellant op 4 april 2006 een nieuw besluit op het bezwaar tegen besluit 1 genomen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 20 februari 1995 is vastgesteld op 35 tot 45%.

De Raad stelt vast dat blijkens de tekst van de aangevallen uitspraak de rechtbank, zij het met enige kanttekeningen, de toepassing van artikel 44 van de WAO door appellant en de hoogte van de aan betrokkene opgelegde terugvordering heeft onderschreven. Betrokkene is tegen deze oordelen niet in hoger beroep gekomen.
Voorts stelt de Raad vast dat appellant in hoger beroep uitsluitend grieven heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de schatting met terugwerkende kracht per 20 februari 1995 en tegen de algehele vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank.
Anders dan de gemachtigde van betrokkene is de Raad van oordeel dat, gelet op hiervoor weergegeven situatie, de omvang van het geding in hoger beroep beperkt moet blijven tot de door appellant ingebrachte grieven. De toepassing van artikel 44 van de WAO en de terugvordering staan in hoger beroep dan ook niet meer ter discussie.

De Raad is van oordeel dat appellant met het besluit van 4 april 2006 niet geheel aan het beroep van betrokkene is tegemoet gekomen. De Raad zal dit besluit dan ook op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij zijn beoordeling te betrekken.

In zijn uitspraak van 17 januari 2001, LJN AL1223, RSV 2001/87, heeft de Raad, onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak, geoordeeld dat het beginsel van de rechtszekerheid vergt dat de toepassing van anticumulatiebepalingen met terugwerkende kracht op reeds uitbetaalde uitkeringen niet kan plaatsvinden. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien betrokkene redelijkerwijs geacht kan worden kennis te dragen van het feit dat de inkomsten van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald dan wel indien het ongewijzigd voortzetten van de uitkering (mede) het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door betrokkene, terwijl het uitvoeringsorgaan een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien het destijds de juiste feiten had gekend.
Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak van 21 januari 2000, LJN ZB8628, USZ 2000, 59, eveneens onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak, overwogen dat 'zwart' verrichte werkzaamheden een grond kunnen vormen om met terugwerkende kracht tot afschatting op de verdienmogelijkheden van wel in billijkheid op te dragen functies over te gaan en dat die werkzaamheden een indicatie kunnen vormen voor de verdiencapaciteit van de betrokken verzekerde, dat daarin tevens ligt besloten dat de geschiktheid voor dergelijke functies niet vooraf aan de betrokken verzekerde kenbaar behoeft te worden gemaakt en dat hem geen zogeheten uitlooptermijn behoeft te worden gegund, indien de verzekerde zijn arbeidscapaciteit feitelijk reeds in 'zwart' verrichte werkzaamheden blijkt te hebben benut.

De Raad stelt vast dat betrokkene zijn werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten niet in hun volle omvang aan appellant heeft gemeld. Daarmee heeft hij de inlichtingenplicht van artikel 80 van de WAO geschonden. Voorts staat voor de Raad vast dat de betreffende werkzaamheden ‘zwart’ zijn verricht. Gelet op het vorenstaande mocht appellant de WAO-uitkering van betrokkene met terugwerkende kracht herzien.
Echter, appellant heeft de herziening ten onrechte gebaseerd op functies die zijn geactualiseerd na de datum in geding, hetgeen appellant gezien het nieuwe besluit van 4 april 2006 inmiddels ook heeft onderkend. Gelet daarop ontbeert het bestreden besluit in zoverre een adequate arbeidskundige onderbouwing. De rechtbank heeft het bestreden besluit, voorzover daarbij de WAO-uitkering van betrokkene per 20 februari 1995 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, dan ook terecht vernietigd.

De Raad deelt het standpunt van appellant dat gezien het oordeel van de rechtbank over de toepassing van artikel 44 van de WAO en de terugvordering er geen aanleiding was ook die onderdelen van het bestreden besluit te vernietigen. De aangevallen uitspraak kan dan ook niet in stand blijven behoudens voorzover daarbij een proceskostenveroordeling is gegeven en aan appellant is opgedragen het griffierecht aan betrokkene te vergoeden. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen voorzover dit betrekking heeft op de herziening van de WAO-uitkering per 20 februari 1995 en het bestreden besluit voor het overige bevestigen.

De Raad is van oordeel dat het besluit van 4 april 2006 berust op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De aan dit besluit ten grondslag gelegde functies hebben dezelfde functienummers als de per 9 augustus 2000 geselecteerde functies. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat het dezelfde functies zijn. De betreffende functies zijn thans geactualiseerd en kunnen, gezien de actualiseringsdatum, aan de schatting ten grondslag worden gelegd. Tenminste drie van deze functies kunnen ook overigens voor betrokkene geschikt worden geacht. Gezien het vorenoverwogene heeft appellant de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 20 februari 1995 terecht vastgesteld op 35 tot 45% en dient het beroep van betrokkene, dat mede gericht wordt geacht tegen het besluit van 4 april 2006, ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve voorzover appellant daarbij is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan betrokkene;
Vernietigt het bestreden besluit voorzover hierbij de herziening van de WAO-uitkering per 20 februari 1995 is gehandhaafd;
Bevestigt het bestreden besluit voor het overige;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep ter hoogte van € 644,-.
Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 april 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x