Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5225
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Er resteren te weinig functies om de schatting op te baseren.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3217 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 mei 2004, 03/2195 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. T.S.C. Mast, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.S. Foy, kantoorgenoot van mr. Mast. Het Uwv is met kennisgeving niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante was fulltime werkzaam als verkoopadviseur/vertegenwoordiger kinderkleding. Op 23 januari 2001 heeft zij zich ziek gemeld wegens klachten ten gevolge van een auto-ongeluk. Op 11 september 2001 heeft zij voor 12 tot 16 uur per week op arbeidstherapeutische basis hervat in aangepast werk. Bij het einde van de wachttijd is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, op basis van de inkomsten uit 18 uur per week tegen een loonwaarde van 75%.

Bij onderzoek op 3 oktober 2002 heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellante als gevolg van een whiplashtrauma lichamelijke en geestelijke beperkingen ondervond tot het verrichten van arbeid. Deze beperkingen werden neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De verzekeringsarts achtte geen reden meer aanwezig voor een urenbeperking.

Met inachtneming van de in de FML omschreven belastbaarheid van appellante heeft de arbeidsdeskundige een aantal functies geselecteerd waarmee zij een zodanig inkomen kon verdienen dat sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Besproken werd voorts dat appellante het reďntegratietraject, gericht op terugkeer in het eigen werk, zou voortzetten.

Daarop is de WAO-uitkering bij besluit van 26 februari 2003 met ingang van 12 april 2003 ingetrokken. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen dat besluit heeft een heroverweging van het besluit door een bezwaarverzekeringsarts plaatsgevonden, welke niet tot een andere uitkomst heeft geleid. Bij besluit van 6 augustus 2003 is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft gelet op de beschikbare medische gegevens geen redenen gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 12 april 2003. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de medische beoordeling mede is gebaseerd op gegevens uit de behandelend sector. In een door appellante overgelegd rapport van de huisarts/verzekeringsarts G.M.A. Clauwaert heeft de rechtbank geen objectiveerbare gegevens aangetroffen die tot een ander oordeel zouden nopen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden dan wel onvolledig is geweest. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het benoemen van een deskundige. Voorzover appellante heeft bedoeld te betogen dat de lopende reďntegratie een schatting op passende functies in de weg zou staan, merkt de rechtbank op dat het reďntegratietraject los moet worden gezien van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

Met betrekking tot de tien geduide functies overweegt de rechtbank dat twee functies buiten beschouwing dienen te blijven gelet op een nader arbeidskundig rapport. Drie van de functies laat de rechtbank bovendien buiten beschouwing omdat de daarbij optredende overschrijdingen van de belastbaarheid niet van een deugdelijke motivering zijn voorzien. De overige vijf functies overschrijden naar het oordeel van de rechtbank de belastbaarheid van appellante niet en zijn ook overigens te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe appellante met haar krachten en bekwaamheden in staat is te achten. Op basis daarvan blijft het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15%.
Het beroep is ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante grieven van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Met betrekking tot de medische beoordeling stelt de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 28 februari 2006 voorop dat de diagnose postwhiplashsyndroom niet ter discussie staat. Er zijn in verband met de klachten van appellante in de FML beperkingen opgenomen, maar voor een urenbeperking is voor appellante geen medische noodzaak aanwezig, gelet op de standaard Verminderde Arbeidsduur.
De bezwaarverzekeringsarts ziet geen nieuwe argumenten om van het eerdere medische oordeel af te wijken. De Raad ziet, gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, die ook aandacht heeft besteed aan de door appellante overgelegde brieven van de medisch adviseur Clauwaert en van de huisarts van appellante, onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Voor een onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige ziet de Raad dan ook geen reden. De Raad merkt voorts op dat het feit dat appellante niet geschikt werd geacht om haar eigen vroegere werk fulltime te verrichten, niet wegneemt dat zij in staat moest zijn de - minder belastende - geduide functies in een volle werkweek te verrichten.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat uit de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige in antwoord op door de Raad gestelde vragen blijkt dat bij drie van de vijf nog geschikt bevonden functies sprake is van wisselende diensten en tevens van een loontoeslag voor afwijkende werktijden. Met betrekking tot de maatmanfunctie overweegt de bezwaararbeidsdeskundige dat appellante door de aard van de functie regelmatig langer moest werken, soms ook in de avonden en weekenden, en dat het niet inherent aan die functie is dat er apart sprake is van een toeslag voor afwijkende arbeidstijden, maar dat een extra beloning gezocht dient te worden in het provisiesysteem. De Raad kan het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige, dat erop neer komt dat een toeslag voor afwijkende arbeidstijden op een lijn wordt gesteld met een provisie, niet delen. Zoals appellante ter zitting van de Raad heeft bevestigd, was de provisie gerelateerd aan de door appellante gerealiseerde verkoop en niet aan arbeidstijden. De Raad concludeert dat de drie functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden (sbc-codes 315120, 264122 en 268040) in strijd met artikel 9, aanhef en onder f, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van 8 juli 2000, in werking getreden op 26 juli 2000, Stb. 2000, 307, zoals die bepaling luidde tot 1 oktober 2004, aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, terwijl niet is gebleken dat de uitzondering van artikel 9, aanhef en onder g, van dat Schattingsbesluit zich hier voordoet. De Raad merkt bovendien op dat noch de bezwaarverzekeringsarts noch de bezwaararbeidsdeskundige hebben geantwoord op de vraag die de Raad in de tweede alinea van zijn brief van 27 januari 2006 heeft gesteld. Er resteren derhalve twee functies, hetgeen te weinig is om een schatting op te baseren. De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust.

Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen. Het Uwv dient terzake van de aanspraken van appellante een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x