Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5227
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. De beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid bestonden reeds bij aanvang van de verzekering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3529 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2004, 02/5095 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. H.C.F. Bollen, werkzaam bij FNV Ledenservice te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, fiscaal jurist, is, nadat hij gedurende een aantal jaren een bijstandsuitkering had ontvangen, op 12 januari 1998 als bibliotheekmedewerker in dienst getreden bij het International Bureau of Fiscal Documentation te Amsterdam. Per 1 januari 2001 is de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ontbonden. Appellant had zich voordien op 18 oktober 2000 wegens psychische klachten ziek gemeld. Er was blijkens de gedingstukken sprake van spanningsklachten, die zijn opgetreden na de komst in januari 2000 van een nieuwe directeur en een nieuw hoofd van de bibliotheek. Toen de werkgever het dienstverband wenste te verbreken is appellant ingestort.

Bij brief van 13 november 2001 heeft het Uwv appellant in kennis gesteld van het besluit om hem met toepassing van het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met ingang van 17 oktober 2001 geen uitkering ingevolge deze wet toe te kennen.

Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling.
De betrokken verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant beperkt was voor wat betreft werk onder stresserende omstandigheden en op het aspect conflicthantering en dat deze belastbaarheid ook al gold bij aanvang van de verzekering op 12 januari 1998. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 5 november 2001 een rapport uitgebracht, waarin wordt beschreven dat appellant in de bibliotheek eenvoudig ondersteunend werk verrichtte, zoals het invoegen van wetboek- en handboekaanvullingen, en allerhande klusjes deed.

Naar aanleiding van het bezwaar tegen voormeld besluit is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek. Deze heeft onder meer kennis genomen van een door appellants huisarts aan de primaire verzekeringsarts verstrekt psychiatrisch rapport van november 1996, waaruit blijkt dat destijds bij appellant een atypische communicatiestoornis NAO is vastgesteld. Naar blijkt uit haar rapport van 18 maart 2002 vond de bezwaarverzekeringsarts op de hoorzitting het communicatieprobleem en het moeite hebben met persoonlijke contacten bij appellant dermate opvallend dat gedacht werd aan autistiforme contactstoornissen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts bestonden de beperkingen ook reeds voor aanvang van de arbeid.

Na nader arbeidskundig onderzoek is het bezwaar bij een op 14 oktober 2002 verzonden besluit (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het bestreden besluit, omdat het niet berustte op een deugdelijke motivering, wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd.
De rechtbank heeft tevens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Bij de vorming van dit oordeel heeft de rechtbank met name betekenis toegekend aan het hiervoor vermelde rapport uit 1996 van V.J. van Petegem, psychiater verbonden aan de Jellinekkliniek, die onder DSM IV classificatie as V heeft vermeld: “Globaal functioneren: Code 45. Ernstige verschijnselen en beperkingen in sociaal en beroepsmatig functioneren, geen vrienden, niet in staat een baan te krijgen”. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts mede gelet op dat rapport terecht geconcludeerd dat appellants beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid reeds bestonden bij aanvang van de verzekering. Ook zag de rechtbank geen reden om te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat ten tijde in geding geen evidente wijziging is ontstaan in de beperkingen van appellant sedert de aanvang van de verzekering, anders dan dat de verbale mogelijkheden van appellant tijdelijk slechter zijn geweest door de spanningen op het werk.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een andersluidend oordeel. Dat appellant het werk in de bibliotheek van voormeld bedrijf geruime tijd heeft kunnen volhouden, kan naar het oordeel van de Raad niet los worden gezien van de omstandigheid dat het blijkens het arbeidskundig rapport van 5 november 2001 ging om “een beschutte functie, een soort gecreëerde baan, waarin hij enigszins in de luwte werd gehouden.” Appellants standpunt dat hij door de gang van zaken rond de komst van een nieuwe directeur en een nieuw hoofd van de bibliotheek in 2000 dusdanig is gedecompenseerd en overspannen geraakt dat hij op de datum in geding als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, wordt weerlegd door zijn in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 27 september 2001 weergegeven visie dat hij zichzelf in dezelfde toestand vond als voor de datum van de ziekmelding en dat er niet veel was veranderd.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x