Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5389
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3283 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2004, 02/4725 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 13 juni 2006, waar partijen met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Bij zijn oordeelvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant was laatstelijk werkzaam als toezichthouder asbestverwijdering gedurende 43 uur per week. Hij is op 13 februari 1998 uitgevallen met schouderklachten en later ook psychische klachten. Per 12 februari 1999 heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de zogenaamde eerstejaars herbeoordeling heeft de verzekeringsarts L.S. Dekhuijzen appellant op 25 september 2000 onderzocht en in zijn rapport van dezelfde datum appellant belastbaar geacht overeenkomstig het door hem opgestelde belastbaarheidsprofiel van die datum. Uit overwegingen van zorgvuldigheid heeft Dekhuijzen nog informatie ingewonnen bij de behandelend psychotherapeut J.P. Huijg. Deze informatie alsmede de omstandigheid dat appellant inmiddels een enkelfractuur had opgelopen heeft geleid tot het stellen van aanvullende beperkingen, zoals neergelegd in het belastbaarheidsprofiel van 25 oktober 2000. Door de arbeidsdeskundige D.J. Gootjes werd vervolgens een aantal functies uit het Functie Informatie Systeem (FIS) geselecteerd en aan appellant voorgehouden, waarna het Uwv bij besluit van 25 juni 2001 appellants uitkering met ingang van 11 juni 2001 heeft herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 september 2002 (hierna: het bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat na heroverweging een aantal van de geduide functies is komen te vervallen maar dat dit geen gevolg heeft voor de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige G.N. Telman blijkens zijn rapport van 7 januari 2004 geconcludeerd dat ook de geduide functie van wikkelaar moet vervallen waarna nog vier functies met voldoende arbeidsplaatsen resteren. Aan de hand van de functies van naaister-stikster meubelbekleding (FB-code 7964), samensteller metaalproducten (FB-code 8463) en confectienaaister-stikster/modinette (FB-code 7952) heeft hij een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 35,5%, hetgeen een indeling in de klasse 35 tot 45% rechtvaardigt. Dit heeft het Uwv geleid tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar van 12 februari 2004 (hierna: bestreden besluit 2), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 11 juni 2001 op 35 tot 45% werd gesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen appellant de renteschade te vergoeden. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is door de rechtbank ongegrond verklaard. Zij heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de medische beoordeling vanwege het Uwv. De rechtbank is voorts van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd waarom de belastbaarheid van appellant in de geduide functies niet wordt overschreden en dat daarbij de belasting van die functies niet is gerelativeerd.

In hoger beroep spitst het geschil tussen appellant en het Uwv zich toe op de vraag of de aangevallen uitspraak in stand kan blijven voor zover deze betrekking heeft op het bestreden besluit 2.
De Raad, zich in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beperkend tot dit geschilpunt, beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts M.H.M. Ligthart in zijn rapport van 26 juni 2002 geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellant, zoals in de primaire fase op 25 oktober 2000 is opgesteld door de verzekeringsarts Dekhuijzen, geen juiste weergave vormt van de bij hem ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Ligthart blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellant kennis droeg van de brief van 31 oktober 2001 van de behandelend reumatoloog, waaruit blijkt dat van een evidente artritis geen sprake is, maar slechts van als gevolg van psoriasis doorgemaakte bursitiden en tendinitiden. Van beperkingen met betrekking tot hand- en vingergebruik blijkt uit deze brief niet. Voorts heeft Ligthart ook kennis genomen van de brief van 13 oktober 2000 van de behandelend psychotherapeut, waarin deze concludeert dat appellant lijdt aan een dysthyme stoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis welke feitelijk niet zijn behandeld omdat appellant weinig is gekomen dan wel niet gemotiveerd was en de behandeling in januari 2000 heeft afgebroken. Het gegeven dat appellant antidepressiva gebruikt alsmede de omstandigheid dat een depressie voor een verzekeringsarts aanleiding kan zijn een urenbeperking te stellen vormen onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat ook in het onderhavige geval een urenbeperking aangenomen had moeten worden. Immers, zoals van de zijde van het Uwv ook is gesteld, is wel degelijk rekening gehouden met de psychische beperkingen van appellant en is niet gebleken van medisch-objectieve redenen om in dit geval ook nog tot een urenbeperking te komen.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de functies van naaister-stikster meubels, samensteller en confectienaaister-stikster (modinette) niet zou kunnen verrichten. Weliswaar komen in de functies van samensteller en confectienaaister-stikster relevante asterisken voor bij het onderdeel “aanmerkelijke tijdsdruk” en in de functie van stikster meubelbekleding een relevante asterisk bij het onderdeel “afbreukrisico”, maar zij blijven - zoals de rechtbank naar het oordeel van de Raad met juistheid heeft geconcludeerd - binnen de medische mogelijkheden van appellant zoals blijkt uit de door de bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven in zijn rapport van 8 januari 2004 gegeven toelichting. Wat betreft de door de verzekeringsartsen aangenomen beperking “geen langdurig plaatsgebonden werk” wijst de Raad er op dat deze beperking ziet op een dwingend werktempo, waarbij een eigen regelmogelijkheid niet aanwezig is. Blijkens de verkorte functieomschrijvingen en de verwoordingen functiebelasting komt een dergelijk gedwongen werktempo in geen van de betrokken functies in langdurige mate voor.

Ten slotte merkt de Raad op dat ook indien het maatmanloon zou worden vermeerderd met een overhevelingstoeslag van 1,9 % dit niet zou leiden tot indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G.. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x