Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5584
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De medische beperkingen zijn juist vastgesteld; de arbeidskundige grondslag is onjuist nu slechts twee functies resteren.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3143 WAO en 05/2431 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2004, 02/2808 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft J.R. Beukema, adviseur sociale zekerheid van de Juricon Adviesgroep te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door Beukema, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Kropman.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was sinds januari 2000 fulltime werkzaam als heftruckchauffeur in een magazijn. Na een auto-ongeval heeft hij zich op 15 maart 2000 ziek gemeld wegens pijnklachten in de nek en lage rug. Later maakte hij ook melding van pijnklachten aan armen, hoofd, ogen en borst, alsmede van maagklachten. Na een gedeeltelijke werkhervatting is hij in november 2000 volledig uitgevallen. Op 23 maart 2001 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts. Deze heeft tevens kennis genomen van inlichtingen van de behandelend orthopedisch chirurg en internist. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat de nek-, arm-, hoofdpijn- en rugklachten pasten, zij het in verband met enig pijngedrag en somatisering niet volledig, bij de bij appellant geconstateerde afwijkingen. De maagdarmklachten leidden volgens de verzekeringsarts niet tot arbeidsbeperkingen. De mogelijkheden en beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid zijn neergelegd in het Formulier Functie Informatie Systeem (FIS) van 3 augustus 2001. Na hernieuwd onderzoek door de verzekeringsarts op verzoek van de arbeidsdeskundige, waarbij geen nieuwe bevindingen werden geconstateerd, heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellant gelet op zijn beperkingen zijn functie van heftruckchauffeur niet meer kon vervullen. Wel werd hij in staat geacht met de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies een zodanig inkomen te verdienen dat per einde wachttijd op 14 maart 2001 sprake was van een verlies aan verdienvermogen van 18,42%. Daarop heeft het Uwv hem met ingang van die datum een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en een dagloon van € 84,92.

Nadat enkele functies op medische dan wel arbeidskundige gronden waren komen te vervallen en het maatloon was aangepast, is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij het besluit op bezwaar van 13 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) vastgesteld op 35 tot 45%. Voorts is het dagloon nader bepaald op € 92,78.

De rechtbank is, gelet op de beschikbare medische gegevens waaronder met name de rapporten van de verzekeringsartsen en de bezwaarverzekeringsarts, tot het oordeel gekomen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 14 maart 2001. De rechtbank overwoog daartoe dat het Uwv rekening heeft gehouden met forse beperkingen ten gevolge van de rug- en nekklachten van appellant en dat de (bezwaar)verzekeringsartsen hun bevindingen op zorgvuldige wijze hebben beargumenteerd, waarbij zij ook zijn ingegaan op informatie uit de curatieve sector. De namens appellant bij brief van 19 februari 2004 in het geding gebrachte informatie van de revalidatiearts H.S. Beeker vormde voor de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen, nu appellant pas in december 2001 bij deze arts onder behandeling is gekomen en niet is gebleken dat diens bevindingen ook betrekking hebben op de datum in geding 14 maart 2001. Voor een urenbeperking zag de rechtbank geen medisch objectiveerbare gronden. Ook overigens zag de rechtbank geen grond de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische dan wel arbeidskundige beoordeling voor onjuist te houden. Met betrekking tot het maatmanloon overwoog de rechtbank dat, nu appellant voor 100% was uitbetaald voor het door hem verrichte overwerk, dit geen gevolgen kon hebben voor de berekening van het maatmanloon, omdat het maatmanloon op uurloonbasis wordt berekend.
Met betrekking tot het dagloon oordeelde de rechtbank dat aannemelijk is geworden dat appellant structureel heeft overgewerkt en dat de verdiensten uit dit overwerk daarom in beginsel dienen te worden meegenomen in de berekening van het dagloon. Nu het Uwv niet had aangegeven waarom dit niet was gebeurd, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit om die reden vernietigd en voorts beslissingen genomen betreffende vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. De Raad leest de aangevallen uitspraak in die zin dat het bestreden besluit is vernietigd voorzover daarbij het dagloon is vastgesteld op € 92,78.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant heeft in hoger beroep grieven van medische en arbeidskundige aard naar voren gebracht. De nader overgelegde rapporten van de revalidatiearts H.S. Beeker kunnen de Raad niet tot het oordeel brengen dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet toereikend is. De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 26 april 2005 over de waarde van de uitkomsten van het in december 2001 verrichte neuropsychologische onderzoek, met name nu in het verslag van dat onderzoek is vermeld dat de werkhouding van appellant tijdens de afname erg passief en terughoudend was en dit waarschijnlijk een duidelijk negatieve invloed heeft gehad op de testresultaten. Uit de rapporten van de revalidatiearts Beeker blijkt voorts niet dat deze op lichamelijk vlak meer of andere medische klachten heeft geconstateerd dan de (bezwaar)verzekeringsartsen. De Raad kan zich dan ook verenigen met het oordeel van de rechtbank dat met de beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid in voldoende mate rekening is gehouden.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat appellant terecht heeft aangevoerd dat één van de drie resterende functies, namelijk de wikkelaar (fb-code 8535), een absolute overschrijding van de belastbaarheid van appellant op het aspect tillen laat zien. De belastbaarheid voor tillen is beperkt tot 15 keer per uur 5 kg, terwijl de belasting ten aanzien van tillen in die functie op 50 keer per uur 5 kg uitkomt. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 19 december 2001 blijkt dat deze uit de verkorte functieomschrijving heeft afgeleid dat dit tillen tot 150 keer per dag voorkomt en dat derhalve de belasting genomen over de totale dag niet veel hoger is dan de aangegeven belastbaarheid van appellant. De Raad acht deze redenering een ontoelaatbare relativering van de gegevens zoals vermeld in de verwoording functiebelasting. Dit betekent dat de functie wikkelaar niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd en dat slechts twee functies resteren, hetgeen onvoldoende is om de schatting te kunnen dragen.

Uit het vorenstaande volgt dat het inleidend beroep ook om die reden gegrond is en de aangevallen uitspraak, voorzover thans aangevochten, wat betreft de beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.
Het Uwv zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellant moeten nemen.
Naar aanleiding van hetgeen ter zitting van de Raad is besproken over het door appellant destijds verrichte overwerk, geeft de Raad het Uwv in overweging bij het voorbereiden van dat nieuwe besluit ook aandacht te besteden aan de vraag of het maatmanloon op de juiste wijze is berekend.

Tot slot merkt de Raad nog op dat er geen reden is het beroep van appellant mede gericht te achten tegen het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit op bezwaar van 12 april 2005 betreffende het dagloon, nu appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd dat met dat besluit aan zijn bezwaren tegen de hoogte van het dagloon volledig is tegemoetgekomen.

Nu de Raad thans onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er grond is voor toewijzing van het verzoek van appellant om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb zal de Raad dat verzoek afwijzen. Het Uwv zal bij de voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ook wat betreft de arbeidsdeskundige grondslag daarvan gegrond en vernietigt dat besluit ook in zoverre;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C.M. van Laar en O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x