Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5591
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gedifferentieerde premie. Is er sprake van overgang van onderneming? Beroep op het gelijkheidsbeginsel. Strijdigheid met de Wet Pemba?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/4134 WAO en 04/6643 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 juni 2004, 01/1124 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. E.P.J. Dankaart, werkzaam bij PriceWaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V. te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 4 februari 2005 zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld, zulks naar aanleiding van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door het Uwv genomen besluit van 14 oktober 2004.

Het Uwv heeft vervolgens een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2005. Voor appellante zijn verschenen haar manager Finance & Control K. van Tilburg, mr. Dankaart, voornoemd, alsmede zijn kantoorgenoot mr. R. van der Ham. Het Uwv heeft zich na voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

Na het onderzoek ter zitting heeft de Raad geoordeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Het vooronderzoek is op voet van artikel 8:44 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortgezet ter zitting van 26 september 2005, waar partijen zich hebben laten vertegenwoordigen.

Naar aanleiding van deze zitting heeft het Uwv bij brief van 17 oktober 2005 nadere inlichtingen verstrekt.

Op deze brief is namens appellante gereageerd bij brief van 21 november 2005.

Op 19 december 2005 heeft wederom een zitting plaatsgevonden in het kader van het vooronderzoek.

Het onderzoek is voltooid ter zitting van 30 maart 2006. Op deze zitting zijn namens appellante verschenen mr. Dankaart en mr. Van der Ham, voornoemd. Voor het Uwv is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante houdt zich bezig met aanneming van nieuwbouw en onderhoudswerken aan spoor-, tram- en metrobanen. Naast appellante zijn er nog twee bedrijven hier te lande werkzaam die zich toeleggen op de aanleg en het onderhoud aan spoor-, tram- en metrolijnen, hierna kortweg aangeduid als [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Appellante, althans één van haar rechtsvoorgangsters, en deze twee bedrijven hebben in 1997 ieder een deel van [bedrijf 3] overgenomen.

Bij besluit van 6 december 1999 heeft het Uwv appellante als grote werkgever aangemerkt en de voor haar geldende gedifferentieerde premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor het premiejaar 2000 vastgesteld op 1,80%. Het tegen dit besluit door appellante ingediende bezwaar, waarbij een beroep is gedaan op het gelijkheidsbeginsel en waarbij is aangevoerd dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 5 van het Besluit premiedifferentiatie WAO ( hierna: het Besluit), heeft het Uwv bij besluit van 23 mei 2001 ongegrond verklaard.

Bij dit besluit heeft het Uwv met betrekking tot het beroep van appellante op het gelijkheidbeginsel overwogen dat ten onrechte beide andere bedrijven die een deel van [bedrijf 3] hebben overgenomen, voor de premiejaren 1998 en 1999 zijn aangemerkt als startende werkgevers. Ook voor appellante geldt dat zij geen startende werkgever is. Weliswaar is er sprake van een min of meer gelijke situatie, doch de onjuiste toepassing van artikel 8 van het Besluit ten aanzien van de twee andere bedrijven rechtvaardigt naar de mening van het Uwv niet dat in strijd met dit artikel ook aan appellante de status van startende werkgever dient te worden toegekend.
Voorts heeft het Uwv overwogen dat aan artikel 5 van het Besluit geen toepassing kan worden gegeven indien, zoals in het geval van appellante, er sprake is van een overgang van onderneming die heeft plaatsgevonden voor 1 januari 1998.

In beroep heeft appellante haar in bezwaar ingenomen standpunten herhaald. Tevens heeft zij een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, in het bijzonder op een buitenwettelijk beleid van het Uwv, inhoudende dat voorzover artikel 5 van het Besluit geen toepassing kan vinden, haar is gebleken dat, ook al is er sprake van een overgang van onderneming van voor 1 januari 1998, het Uwv op een daartoe strekkend verzoek toch artikel 5 van het Besluit pleegt toe te passen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst overwogen dat, voorzover er sprake is geweest van een overgang van onderneming, die overgang heeft plaatsgevonden voor 1 januari 1998. In dat geval verhindert artikel VII, tweede lid, van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba) dat de gedifferentieerde premie voor het jaar 2000 wordt vastgesteld op de wijze als bepaald in artikel 5 van het Besluit. Het standpunt van appellante dat artikel VII, tweede lid, van de Wet Pemba onverbindend verklaard zou moeten worden, heeft de rechtbank niet gevolgd.
De rechtbank heeft voorts overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet kan worden aangemerkt als startende onderneming als bedoeld in artikel 8 van het Besluit.
Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder, heeft de rechtbank vervolgens het volgende overwogen:
"De rechtbank is voorts van oordeel dat het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft. In dit verband wordt overwogen dat verweerder voor de premiejaren 1998 en 1999 heeft aangenomen dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] de hoedanigheid van werkgever hadden gekregen in 1997, derhalve respectievelijk het eerste dan wel tweede kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan die premiejaren. Verweerder is echter gebleken dat dit ten onrechte is gebeurd en heeft deze fout voor de jaren na 1999 hersteld. De rechtbank acht op grond van de beschikbare gegevens voldoende aannemelijk dat verweerder in het verleden [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ten onrechte voor de gedifferentieerde premie als startende werkgevers heeft aangemerkt. De rechtbank voegt daaraan toe dat eiseres geen gegevens heeft overgelegd waaruit het tegendeel kan blijken. De rechtbank acht voorts voldoende aannemelijk dat het ging om een incidenteel gemaakte fout die nadien voor de toekomst gecorrigeerd is. Naar het oordeel van de rechtbank strekt het gelijkheidsbeginsel er echter niet toe dat verweerder ook ten aanzien van eiseres deze fout - bewust - zou moeten maken. Hieraan doet niet af dat, zoals eiseres stelt, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de jaren na 1999 nog financieel voordeel zouden hebben gehad van de eerder gemaakte fout."
en
"Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit beperkt tot een heroverweging van het besluit van 6 december 1999 in relatie tot de dwingendrechtelijke regelgeving en het gelijkheidsbeginsel. De uitkomst van die heroverweging acht de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, op zichzelf niet onjuist. Nu het er echter, gelet op het voorgaande, voor moet worden gehouden dat verweerder ter zake van artikel 5 van het Besluit een buitenwettelijk beleid hanteert, in die zin dat in strijd met de regelgeving de werkgever in bepaalde gevallen toch wordt behandeld als ware sprake van een overgang van onderneming, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit beleid bij het bestreden besluit in de heroverweging had moeten betrekken. Verweerder had in ieder geval aandacht dienen te besteden aan een uiteenzetting van dit beleid, de criteria die daarbij worden gehanteerd en de beoordeling van het voorliggende geval aan de hand van die criteria. Het mogelijke vertrouwen dat bij eiseres gewekt kan zijn tijdens de contacten die hebben plaatsgevonden in het kader van een mogelijke toepassing van dit beleid, had evenmin onbesproken mogen blijven.
Nu een en ander ontbreekt in de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde overwegingen, oordeelt de rechtbank dat dit besluit ook op dit punt in strijd is met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde motiveringsvereiste."

Het Uwv is van de uitspraak van de rechtbank niet in hoger beroep gekomen. Wel heeft het Uwv ter uitvoering van deze uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist en wel bij besluit van 14 oktober 2004. Bij dit besluit heeft het Uwv het verzoek van appellante om toepassing van artikel 5 van het Besluit afgewezen, omdat appellante niet de benodigde gegevens heeft verstrekt. Het betreft hier de loonsommen over diverse jaren en de arbeidsongeschiktheidslasten van de overgenomen delen van [bedrijf 3] Voorts heeft het Uwv wederom het door appellante gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel niet gehonoreerd, zulks onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Tot slot heeft het Uwv geweigerd appellante aan te merken als startende onderneming.

De Raad overweegt allereerst dat, nu met het besluit van 14 oktober 2004 niet tegemoet gekomen is aan de bezwaren van appellante, het hoger beroep van appellante op grond van artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:19 van de Awb geacht moet worden mede te zijn gericht tegen dit besluit. Aangezien dit besluit in de plaats is getreden van het besluit van 23 mei 2001, is de Raad van oordeel dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Met betrekking tot het beroep van appellante tegen het besluit van 14 oktober 2004 overweegt de Raad mede naar aanleiding van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld het volgende.

Te zijner zitting van 30 maart 2006 is van de zijde van het Uwv betoogd dat bij nader inzien het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, nu het antwoord op de vraag of er sprake is geweest van een overgang van onderneming in 1997 al lag besloten in het besluit van 16 november 1998 inzake de gedifferentieerde premie voor het jaar 1999.

De Raad volgt het Uwv hierin niet. Indien een bezwaar tegen een besluit niet kan leiden tot een gegrondverklaring van dat bezwaar, dient zulks te leiden tot een ongegrondverklaring en niet tot een niet-ontvankelijkverklaring. Voor een niet-ontvankelijkverklaring is slechts plaats in het geval niet wordt voldaan aan de formele vereisten voor het indienen van een bezwaarschrift.

Het vorenstaande neemt niet weg dat, gelet op de premiebesluiten voor de jaren 1998 en 1999, toepassing van artikel 5 van het Besluit (overgang van onderneming) en artikel 8 van dit Besluit (premiepercentage startende onderneming) geen bespreking behoeven. Als in rechte vaststaand heeft te gelden dat appellante niet kan worden aangemerkt als een startende onderneming en dat geen rekening kan worden gehouden met een overgang van onderneming van voor 1 januari 1998. Overigens heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de van toepassing zijnde regelgeving zich ook verzet tegen toepassing van deze artikelen.

Het hiervoor overwogene geldt evenwel niet met betrekking tot het buitenwettelijke beleid inzake toepassing van artikel 5 van het Besluit en het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel. Indien het Uwv meent dat ook zijn buitenwettelijk beleid niet meer aan de orde kan worden gesteld, had het op zijn weg gelegen hoger beroep in te stellen tegen de aangevallen uitspraak. Met betrekking tot het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel heeft het Uwv zich niet op het standpunt gesteld dat zij dit beroep al eerder had kunnen doen.

Met betrekking tot het door het Uwv gevoerde beleid om onder omstandigheden toch rekening te houden met een overgang van onderneming van voor 1 januari 1998 overweegt de Raad dat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde te zijner zittingen, het er voor moet worden gehouden dat het Uwv met betrekking tot de bouwsector artikel 5 van het Besluit pleegde toe te passen op een daartoe strekkend verzoek en de verzoeker de daarvoor benodigde gegevens aanleverde. Wat er ook moge zijn van dit met de Wet Pemba strijdige beleid, de Raad moet vaststellen dat appellante in de onmogelijkheid verkeert de benodigde gegevens te achterhalen, terwijl ook het Uwv daarover niet beschikt en daarover ook niet behoeft te beschikken. Het betreft hier de loonsom van [bedrijf 3] over diverse jaren en de arbeidsongeschiktheidslasten van deze voormalige vennootschap. Bij gebreke van de daarvoor benodigde gegevens, moet worden geconcludeerd dat toepassing van evenbedoeld beleid ten aanzien van appellante geen begaanbare weg is.

Met betrekking tot het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Raad dat er bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling in die mate in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat op deze grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Bijzonder aan de situatie waarin appellante verkeert, is dat er slechts drie bedrijven hier te lande werkzaam zijn die zich bezighouden met grootschalige infrastructurele werken aan spoor-, tram- en metrobanen. Bij zijn besluit van 14 oktober 2004 is het Uwv hieraan voorbijgegaan. Dit klemt te meer, nu uit de naar aanleiding van de zittingen van 26 september 2005 en 19 december 2005 overgelegde stukken omtrent de vaststelling van de gedifferentieerde premie voor de twee concurrenten van appellante geenszins is gebleken dat de voor de jaren 1998 en 1999 gemaakte fouten nadien zijn hersteld. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het besluit van 14 oktober 2004 voor wat betreft het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel niet berust op een deugdelijke motivering. Dit betekent dat onder gegrondverklaring van het beroep van appellante dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en het Uwv opnieuw op de bezwaren van appellante dient te beslissen.

De Raad acht tot slot termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.127,- voor verleende rechtsbijstand. Voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht acht de Raad geen grond aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2004 gegrond;
Vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van appellante met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 409,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x