Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5604
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De weigering om WAO-uitkering toe te kennen na het einde van de wachttijd kan niet in stand blijven.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3766 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 juli 2004, 02/1010 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2006.
Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H. Nuijens.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellante was gedurende 24 uur per week als administratief medewerkster werkzaam bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] toen zij zich op 24 juli 2000 ziek meldde vanwege nekletsel na een ongeval in een zwembad. Na een hersteldverklaring voor haar eigen werk per 25 december 2000 en het opnemen van vakantiedagen heeft appellante zich op 11 januari 2001 opnieuw ziek gemeld. In het kader van een second opinion is zij op 24 januari 2001 medisch onderzocht door de aan de organisatie van het Uwv verbonden verzekeringsarts A. Malyar. Blijkens zijn rapportage van 29 januari 2001 achtte de verzekeringsarts appellante volledig geschikt voor haar eigen werk als administratief medewerkster en was er naar zijn mening geen sprake van een rechtstreeks door ziekte en/of gebrek veroorzaakte en te objectiveren beperking van de belastbaarheid. Informatie van de behandelend neuroloog C.W.G.M. Frenken en een brief van 16 maart 2001 van de aan de Sint Maartenskliniek te Nijmegen verbonden revalidatiearts B.A.E. Lo-A-Njoe, waarin werd geconcludeerd dat appellante op dat moment minder belastbaar was, bracht de verzekeringsarts niet tot een ander oordeel.
Het onderzoek van de verzekeringsarts leidde tevens tot een besluit van 2 mei 2001 waarbij het Uwv weigerde aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder de overweging dat appellante vanaf 24 juli 2000 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest.

In het kader van de bezwarenprocedure overlegde appellante een rapportage van de neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen van 9 januari 2002, waarin onder andere werd geconcludeerd dat er sprake was van een postwhiplashsyndroom en dat zij op grond van de daaruit voortkomende nek- en rugbeperkingen en vermoeidheid op 24 juli 2004 niet meer dan de helft van haar werktijd kon functioneren. De bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten was tijdens de hoorzitting aanwezig. In zijn rapport van 17 januari 2002/1 mei 2002 overwoog hij na kennisneming van de dossierstukken dat er weliswaar sprake was van een klachtencomplex na een doorgemaakt trauma, maar dat niet op basis van onderzoeksbevindingen was aangetoond dat appellante rond 25 december 2000 niet arbeidsgeschikt was. Bij beslissing op bezwaar van 7 mei 2002 (hierna: het bestreden besluit) verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond en werd de weigering van de WAO-uitkering gehandhaafd op de grond dat appellante niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest voor haar eigen werk.

In de beroepsprocedure is appellante in opdracht van de rechtbank onderzocht door de neuroloog dr. P.J.M. van Wensen, die in een rapport van 29 september 2003 onder meer concludeerde:

Sinds 24/07/00 is er geen perioden aan te wijzen van 52 weken waarin betrokkene wegens ziekte of gebrek onafgebroken ongeschikt is geweest voor haar eigen werk.

en:

De conclusies van collega Van Beijersbergen uit gedingstuk B23 kan ik niet delen. De Vereniging voor Neurologie neemt een invaliditeit bij een whiplashtrauma aan van ten hoogste 5%, en dit kan nauwelijks invaliderend werken met betrekking tot werkzaamheden en ik zou patinte dan ook zes weken na het trauma als volledig arbeidsgeschikt willen beoordelen.

Van Beijersbergen en Van Wensen zijn nog met elkaars standpunten geconfronteerd maar geen van beiden heeft aanleiding gezien zijn oordeel te wijzigen. Ook in de reactie van 17 februari 2004 van de medisch adviseur van appellantes gemachtigde J. Schipper heeft de deskundige Van Wensen geen aanleiding gezien voor het innemen van een ander standpunt. De rechtbank heeft het oordeel van haar deskundige gevolgd en mede op grond daarvan het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante een afschrift overgelegd van het vonnis van 15 april 2005 van de kantonrechter te Nijmegen waarbij haar loonvordering op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is toegewezen over de periode van 1 januari 2001 tot 24 juli 2001. Aan dit vonnis ligt een rapport van 27 december 2004 ten grondslag van de neuroloog prof. dr. L.J. Kappelle, die door de kantonrechter als deskundige is gevraagd van verslag en advies te dienen. Deze deskundige is op basis van zijn bevindingen bij de anamnese en neurologisch onderzoek tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een postwhiplashsyndroom en achtte het op basis van zijn medische bevindingen en zijn ervaring reel te veronderstellen dat appellante in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 niet volledig arbeidsgeschikt was. Hij schatte in dat betrokkene niet in staat was om langer dan 4 uur per dag te werken.

Appellante is van mening dat met het vonnis van de kantonrechter de grondslag aan het standpunt van het Uwv is komen te ontvallen. Zij heeft immers ook over de periode van 1 januari 2001 tot en met 24 juli 2001 recht op loondoorbetaling op grond van artikel 7:629 van het BW, zodat zich het geval als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) voordoet en zij met toepassing van artikel 19, vijfde en zesde lid, van de WAO wordt geacht over die periode aanspraak te hebben gehad op ziekengeld krachtens de Ziektewet (ZW). In het vonnis is daarnaast vastgesteld dat appellante over die periode ook daadwerkelijk (gedeeltelijk) ongeschikt is geweest voor haar werk. Nu de beoordelingsmaatstaf voor de kantonrechter hetzelfde is als het ziektewetcriterium, staat vast dat appellante de wachttijd van 52 weken heeft volgemaakt.

Ter zitting is van de zijde van het Uwv aangevoerd dat appellante, gelet op de artikelen 19, vijfde en zesde lid, van de WAO in verbinding met artikel 29 van de ZW, weliswaar formeel wordt geacht aanspraak te hebben gehad op ziekengeld maar dat het Uwv desondanks van mening blijft dat zij geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de WAO, omdat zij op en na 24 juli 2001 in staat was haar eigen werk te verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

In geding is de vraag of het Uwv terecht aan appellante uitkering ingevolge de WAO heeft geweigerd onder de overweging dat zij na 24 juli 2000 niet gedurende 52 weken ongeschikt is geweest voor haar arbeid, zodat zij de (destijds geldende) wachttijd niet heeft volgemaakt.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 mei 2004, gepubliceerd in RSV 2004/234, is de omstandigheid dat de werkgever loon heeft doorbetaald niet maatgevend voor het antwoord op de vraag of de wachttijd is vervuld. Wel maatgevend is wanneer het Uwv (zelf) over 52 weken ziekengeld heeft toegekend of erkent dat sprake is geweest van loondoorbetaling tijdens ziekte. Het Uwv beoordeelt dus zelfstandig of de wachttijd is vervuld en dit oordeel kan in beroep aan de bestuursrechter worden voorgelegd.

Anders dan het Uwv en de rechtbank acht de Raad het aannemelijk dat appellante de (destijds geldende) wachttijd van 52 weken heeft vervuld. Uit de beschikbare medische gegevens rijst het beeld op dat appellante in de in geding zijnde periode als gevolg van een whiplashtrauma een aantal medische beperkingen had, in elk geval wat betreft het gebruik van de nek. Zo stelde de revalidatiearts Lo-A-Njoe bij haar onderzoek op 13 maart 2001 beperkingen van de cervicale wervelkolom vast op grond waarvan zij appellante minder belastbaar vond. Dit oordeel is bevestigd door de deskundige Kappelle, die medische beperkingen als gevolg van een postwhiplashsyndroom met neuropsychologische elementen aanwezig achtte, hetgeen trouwens ook een vaststelling was van de door appellante ingeschakelde neuroloog Beijersbergen. Zowel Kappelle als Beijerbergen achtten appellante in de periode tot 24 juli 2001 niet in staat haar eigen werkzaamheden volledig te verrichten.

Het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Van Wensen acht de Raad niet doorslaggevend. De mening van deze deskundige dat appellante reeds zes weken na het ongeval weer volledig arbeidsgeschikt was staat haaks op die van de behandelend sector, de bedrijfsarts en de verzekeringsartsen, die appellante toen zeker nog niet arbeidsgeschikt achtten. Voorts heeft Van Wensen, geconfronteerd met de gemotiveerde kritiek op zijn rapport van Beijersbergen en van de medisch adviseur van de gemachtigde van appellante J. Schipper, in zijn brief van 25 maart 2004 aan de rechtbank slechts gereageerd met de opmerking dat de reactie van Schipper hem niet verbaast en dat hij de visie van Beijersbergen niet onderschrijft. Daarmee kan niet worden gezegd dat Van Wensen zijn oordeel serieus heeft heroverwogen.

Nu appellante de wachttijd van 52 weken heeft volgemaakt kunnen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, die berusten op de overweging dat zulks niet het geval is, niet in stand blijven. Het Uwv zal de gevolgen van het doormaken van de wachttijd moeten beoordelen en een nieuw besluit moeten nemen over de aanspraken van appellante op een WAO-uitkering.

De Raad ziet op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op 966,00 voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 644,00 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (tezamen 1.610,00) en op 7,99 aan reiskosten in eerste aanleg en op 23,59 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal 31,58.

Met betrekking tot de vordering van de kosten van de uitgebrachte rapportages van de medisch adviseur Schipper van 17 februari 2004 en van de deskundige Beijersbergen van respectievelijk 9 januari 2002 en 4 november 2003 is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt Schipper bij een bestede tijd van anderhalf uur een forfaitaire vergoeding toe van 121,85. Beijersbergen komt bij een geschat bestede tijd van in totaal ruim tien uur een forfaitaire vergoeding toe van 812,30, alsmede een vergoeding voor kosten in verband met door de behandelend sector verstrekte inlichtingen van 33,72. Een en ander is gebaseerd op het voor dergelijke rapportages op grond van artikel 8:36, tweede lid, van de Awb in artikel 1, eerste lid, onder IV, van de Wet tarieven strafzaken van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken vastgestelde maximale uurtarief van 81,23.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 2.599,45, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van 129,23 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x