Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5665
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene is geen eigenrisicodrager omdat de garantieverklaring ontbreekt. Is de termijn voor het indienen van de garantieverklaring een harde termijn?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5335 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 18 augustus 2005, 05/444 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is door mr. L. de Groot, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006, waar voor appellant is verschenen mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv. Betrokkene is verschenen bij zijn gemachtigde mr. De Groot, voornoemd, en door R.J.S. Vos, werkzaam bij Compleet Financieel Advies.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

Bij besluit van 4 juni 2004 heeft appellant betrokkene geen toestemming verleend om met ingang van 1 juli 2004 eigenrisicodrager voor de WAO te worden. Daarbij is aangegeven dat de vereiste garantieverklaring niet binnen de bij schrijven van 12 maart 2004 gestelde termijn is ontvangen.

Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt, waarbij alsnog een originele garantieverklaring is meegestuurd.

Bij besluit van 10 september 2004 zijn de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag het standpunt van appellant dat betrokkene heeft nagelaten binnen de termijn van 8 weken, welke termijn is genoemd in een brief van 12 maart 2004 en een harde termijn is, een garantieverklaring in te dienen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 10 september 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Daartoe heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat hoewel appellant in zijn bestreden besluit stelt dat er sprake is van een harde termijn met betrekking tot het alsnog tijdig indienen van een garantieverklaring, in de praktijk echter blijkt dat appellant in het kader van een aanvraag om toelating tot het eigenrisicodragerschap WAO wel afwijkt van deze harde termijn. De rechtbank heeft het bestreden besluit vervolgens vernietigd aangezien het daarom naar haar oordeel onvoldoende gemotiveerd is.

Appellant is het met deze overweging van de rechtbank niet eens en heeft daartoe aangevoerd dat het Uwv in gevallen als onderhavige wel degelijk consequent heeft gehandeld als het gaat om de termijnstelling voor de indiening van een garantieverklaring in het kader van de aanvraag van het eigenrisicodragerschap WAO. Appellante had een groot aantal aanvragen voor het eigenrisicodragerschap per 1 juli 2004 ontvangen. Voor werkgevers die kort na hun aanvraag per brief werden gewezen op het ontbreken van een garantieverklaring, zoals in de onderhavige zaak, is de termijn van 8 weken aangehouden, zoals die staat vermeld in het Besluit eigenrisicodrager WAO. Omdat evenwel een groot aantal werkgevers deze brief eerst op 18 mei 2004 had ontvangen was het voor deze groep werkgevers niet mogelijk binnen een termijn van 8 weken vóór 1 juli 2004 een garantieverklaring in te dienen. Slechts deze groep werkgevers - waaronder betrokkene niet valt te rangschikken - heeft tot 15 juni 2004 de tijd gekregen om de ontbrekende garantieverklaring in te dienen. Van een inconsequent handelen door het Uwv is dan ook geen sprake. De foute verzending van de garantieverklaring vanwege de door betrokkene ingeschakelde Amersfoortse Algemene Verzekering Maatschappij ligt in de risicosfeer van betrokkene.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat betrokkene een kleine werkgever is en zijn aanvraag tijdig, dat wil zeggen vóór 1 april 2004 heeft ingediend bij het Uwv. Evenmin is in geschil dat betrokkene daarbij heeft verzuimd om de vereiste garantieverklaring over te leggen. Op grond van de gedingstukken moet worden vastgesteld dat de garantieverklaring door de Amersfoortse weliswaar tijdig is afgegeven, maar de Amersfoortse heeft deze garantieverklaring aan de verkeerde “tussenpersoon” gestuurd en de bedoelde verklaring is vervolgens niet binnen de gestelde termijn, vóór 6 mei 2004 bij het Uwv binnengekomen. Betrokkene heeft appellant eerst op 11 juni 2004 een garantieverklaring doen toekomen. Appellant had echter reeds bij besluit van 4 juni 2004 geoordeeld dat betrokkene met ingang van 1 juli 2004 geen eigenrisicodrager kan worden omdat de garantieverklaring ontbrak.

In hoger beroep zijn de partijen verdeeld over de vraag of appellant terecht bij het bestreden besluit het primaire besluit van 4 juni 2004 heeft gehandhaafd, onder de overweging dat de termijn voor het indienen van de garantieverklaring een harde termijn is.

De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank ontkennend en heeft daartoe het volgende overwogen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 75, eerste lid, van de WAO verleent het Uwv aan een werkgever op aanvraag toestemming om het risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zelf te dragen, indien de werkgever een schriftelijke garantie overlegt, waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het Uwv verplicht, op het eerste verzoek van het Uwv waarbij het Uwv schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen voortvloeiend uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichting na te komen.
Ingevolge het zesde lid van artikel 75 van de WAO wordt de toestemming verleend met ingang van 1 januari of 1 juli van enig jaar mits de aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend.

Bij het Besluit beperking eigen risico dragen WAO, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 12 november 2003, Stb. 2003,474, is ingevolge artikel 1, eerste lid, de mogelijkheid om eigen risicodrager te worden beperkt tot de zogenoemde grote werkgevers. In het tweede lid van artikel 1 is evenwel bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aan kleine werkgevers per 1 juli 2004 nog eenmalig toestemming kan worden verleend als bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de WAO. In de bijlagen van voornoemd besluit worden regels gegeven over de wijze waarop omgegaan moet worden met onder meer de aanvraag en de garantieverklaring. Indien bij een aanvraag geen garantieverklaring is overgelegd wordt de werkgever alsnog in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen een termijn eindigend acht weken voor 1 januari respectievelijk 1 juli van enig jaar. Indien de werkgever niet voor de afloop van de gestelde termijn de garantieverklaring overlegt behoeft het Uwv de aanvraag niet te behandelen als een aanvraag die dertien weken voor de beoogde datum is ingediend. Strikte toepassing van deze termijn is gelegen - aldus appellant - in de uitvoeringspraktijk. Nadien ingediende garantieverklaringen kunnen door de vele aanvragen niet meer administratief worden verwerkt.

De Raad moet echter constateren dat appellant een andere groep werkgevers nog wel de tijd heeft gegeven om tot half juni 2004 een garantieverklaring te overleggen. Weliswaar is dit ingegeven door aan de kant van appellant gelegen administratieve redenen, waardoor door toedoen van het Uwv de herstelbrieven te laat waren verzonden, maar dat neemt niet weg dat appellant deze verklaringen alsnog heeft geaccepteerd kort voor 1 juli 2004 en deze verklaringen kennelijk ook nog administratief kon verwerken.

In deze situatie kan, mede gelet op de miscommunicatie tussen betrokkene en zijn tussenpersoon en mede gelet op het feit dat hier sprake was van een eenmalige aanvraag voor een kleine werkgever, betrokkene niet worden tegengeworpen dat de garantieverklaring later dan 8 weken maar in ieder geval op 16 juni 2004 bij appellante is binnengekomen.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb - met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht - te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- in verband met verleende rechtsbijstand. Van overige kosten is de Raad niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-- , te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv een recht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x