Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5670
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gedifferentieerde WAO-premie. De arbeidsongeschiktheidslasten komen voor rekening van de rechtsopvolger van betrokkene.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4954 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 juli 2005, 04/1097 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Krikke, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 21 januari 2004 heeft appellant de voor betrokkene voor 2004 geldende gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vastgesteld op 4,21%. Bij besluit van 25 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene deels gegrond verklaard en het premiepercentage vastgesteld op 4,12%. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant het betaalde griffierecht aan betrokkene vergoedt.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de werkneemster [V.] ten tijde van het ontstaan van haar arbeidsongeschiktheid in dienst van betrokkene was. Appellant stelt dat de arbeidsongeschiktheidslasten van [V.] terecht bij de vaststelling van de voor betrokkene geldende gedifferentieerde WAO-premie 2004 zijn betrokken.

Voorts heeft appellant zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte aan de omstandigheid dat [de besloten vennootschap] (hierna: [de besloten vennootschap]) niet is opgehouden te bestaan de conclusie heeft verbonden dat appellant ten onrechte de WAO-lasten van [rechtsvoorganger van betrokkene] (hierna: [rechtsvoorganger van betrokkene]) heeft toegerekend aan betrokkene.

De Raad overweegt met betrekking tot [V.] als volgt.

Uit de gedingstukken blijkt dat [V.] van 8 september 1997 tot 2 november 1997 in dienst van betrokkene is geweest. Eťn van de gedingstukken vermeldt immers bij [V.] het aansluitnummer van betrokkene. De Raad gaat uit van de juistheid van deze gegevens, nu betrokkene geen stukken heeft geproduceerd die een andere conclusie rechtvaardigen. Aangezien voorts niet wordt betwist dat [V.] op 6 oktober 1997 arbeidsongeschikt is geworden, heeft appellant terecht de aan [V.] in 2002 betaalde WAO-uitkering bij de vaststelling van de voor betrokkene geldende gedifferentieerde premie 2004 betrokken.

De Raad overweegt met betrekking tot de WAO-lasten van [rechtsvoorganger van betrokkene] als volgt.

Tussen partijen is niet in geding dat de werknemers [werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3] arbeidsongeschikt zijn geworden ten tijde van hun dienstverband met [rechtsvoorganger van betrokkene]. Aangezien uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene de rechtsopvolger van [rechtsvoorganger van betrokkene] is, komen de desbetreffende arbeidsongeschiktheidslasten op grond van artikel 5 van het Besluit premiedifferentiatie WAO in beginsel voor haar rekening. De stelling van betrokkene, dat niet zij doch [de besloten vennootschap] als rechtsopvolger van [rechtsvoorganger van betrokkene] moet worden aangemerkt, kan niet als juist worden aanvaard, omdat uit de gedingstukken blijkt dat [de besloten vennootschap] op 31 december 1998 geen werknemers in dienst had en de aansluiting van [de besloten vennootschap] als werkgever op die datum is beŽindigd. Dat [de besloten vennootschap] een nog bestaande rechtspersoon is, doet daar niet aan af. Appellant wijst er terecht op dat in het kader van de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie van belang is dat betrokkene als opvolgend werkgever van de desbetreffende werknemers van [rechtsvoorganger van betrokkene] heeft te gelden. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene geen argumenten aangevoerd welke doen twijfelen aan de juistheid van dit door appellant gehanteerde uitgangspunt. Het hoger beroep slaagt dan ook tevens op dit onderdeel.

Gezien het voorgaande zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x