Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5679
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Op grond van het oordeel van de deskundige wordt betrokkene niet in staat geacht de voorgehouden functies te vervullen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/4991 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 augustus 2003, 02/4781 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv een verweerschrift ingediend.
Daarna hebben partijen over en weer stukken ingebracht. Vervolgens heeft de Raad als onafhankelijke medische deskundigen ingeschakeld neuroloog A.H.C. Geerlings en psychiater prof. dr. E. Hoencamp, die beiden rapport van hun bevindingen hebben uitgebracht, op welke rapporten door beide partijen is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Pelle, advocaat te 's-Gravenhage. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J. van Riet.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was voltijds werkzaam als bedrijfsleider in een gelegenheid die aanvankelijk als café doch later als coffeeshop werd geëxploiteerd toen hij zich op 9 februari 2001 voor zijn werk heeft ziek gemeld met rug-, been- en (mede als gevolg van een conflict met de exploitant) spanningsklachten.

Bij besluit van 31 oktober 2002 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2002 waarbij aan hem per 8 februari 2002, in aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% is toegekend.

Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit op bezwaar (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan en geen aanleiding gezien tot inschakeling van een onafhankelijke medisch deskundige. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat de in de bezwaarfase per einde wachttijd nieuw geduide functies de grenzen van het in diezelfde fase aangescherpte belastbaarheidspatroon niet te buiten gaan, zulks onder aantekening dat ten aanzien van de markeringen ten teken van mogelijke overschrijding van appellants belastbaarheid afdoende is gemotiveerd dat er geen sprake van overschrijding is en dat haar van relativering van de belasting van de functies niet is gebleken.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ten tijde in geding in medisch opzicht volledig arbeidsongeschikt was en zo niet, dan toch in fysiek en/of psychisch opzicht, mede als gevolg van het gebruik van de aan hem voorgeschreven medicijnen, medisch zodanig meer was beperkt dan door het Uwv is aangenomen dat hij toen niet in staat was de aan hem voorgehouden functies volledig te vervullen. Ter ondersteuning van dat standpunt zijn door appellant overgelegd brieven van neuroloog prof. dr. M. de Visser en neuroloog prof. dr. W.A. van Gool, waarvan de inhoud is gebaseerd op onderzoeken die zijn ingesteld op en na 17 oktober 2003, en brieven van psycholoog drs. G.J.C. Hofman, bij wie appellant in behandeling is geweest in de periode van "sept/dec." 2003 wegens toen al lang bestaande psychische klachten.

De Raad heeft aanleiding gezien tot inschakeling als onafhankelijke medische deskundigen neuroloog Geerlings en vervolgens - op diens instigatie - psychiater Hoencamp. Beiden hebben van hun bevindingen rapport uitgebracht op 15 juli 2005 respectievelijk in oktober 2005. Hoencamp heeft op 21 februari 2006 nog nagezonden een brief van appellants huisarts van 13 februari 2006 (met journaal van 6 juni 1995 tot en met 10 mei 2005) aan wie hij om inlichtingen had gevraagd, zulks onder aantekening dat die gegevens hem geen aanleiding tot wijziging van zijn oordeel geven.

In 's Raads jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter (in dit geval door hemzelf) ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd.
De Raad is van oordeel dat er in het thans aanhangige geval onvoldoende aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken; hij overweegt daartoe het volgende.

Geerlings is gekomen tot de conclusie dat bij appellant ten tijde in geding (8 februari 2002) sprake was van een spastische paraparese als gevolg van de ziekte van Strümpell en dat hij zich niet volledig kan verenigen met het vanwege het Uwv op 28 juni 2002 vastgestelde (aangescherpte) belastbaarheidspatroon dat dan ook moet worden bijgesteld, met name omdat appellant niet in staat is te achten tot het verrichten van enige arbeid waarbij hij zijn benen en voeten moet gebruiken (om te staan, te lopen of de desbetreffende werkzaamheden te verrichten). Op basis van deze bevindingen heeft Geerlings vastgesteld dat appellant wel in staat is te achten tot het vervullen van 4 van de 7 functies welke door de Raad in zijn brief aan Geerlings zijn vermeld.
Ter zitting heeft het Uwv opgemerkt dat Geerlings zich bijgevolg heeft uitgesproken over functies die wel in de primaire fase, maar niet meer in de bezwaarfase (op basis van het aangescherpte belastbaarheidspatroon) aan appellant zijn voorgehouden.
Die opmerking is zonder meer juist. Met de conclusie van Geerlings dat appellant in fysiek opzicht meer is beperkt dan vanwege het Uwv is aangenomen, is door het Uwv ingestemd en kan ook de Raad zich verenigen. Echter, de conclusies van Geerlings wat de aan appellant in de primaire fase voorgehouden functies betreft kunnen als gevolg van de vraagstelling van de Raad niet worden overgenomen. Bij 2 van de functies (te weten die van samensteller met functienummer 3485-0048-010 met 13 arbeidsplaatsen en die van monteur met functienummer 3611-0025-002 met 5 arbeidsplaatsen) die appellant naar de mening van Geerlings wel zou kunnen vervullen, tekent de Raad aan dat die weliswaar ook deel uitmaken van het geheel van functies dat in de bezwaarfase op basis van het aangescherpte belastbaarheidspatroon aan appellant is voorgehouden, maar tezamen onvoldoende zijn om de schatting te kunnen dragen. De Raad zal de bevindingen van Geerlings wat de functies betreft dan ook verder buiten beschouwing (moeten) laten.

Blijft over te zien naar de bevindingen van Hoencamp.
Deze is gekomen tot de conclusies:
- dat appellant ten tijde van zijn onderzoek (op 20 september 2005) een gecompliceerde interactie van een ernstige hereditaire progressieve spierziekte aan zijn benen en mede een daarop gesuperponeerd depressief toestandsbeeld met agitatie had,
- dat - voorzover te reconstrueren - het beeld ten tijde in geding niet wezenlijk anders was met de mogelijkheid dat het beeld ten tijde van het onderzoek ernstiger was geworden door de progressie van de paraparese van de benen,
- dat appellants psychische problematiek ten tijde in geding is onderschat en dat appellant in dat opzicht meer was beperkt dan is aangegeven in het aangescherpte belastbaarheidspatroon zoals dat op 28 juni 2002 door de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld en
- dat appellant ten tijde in geding niet in staat was te achten tot het vervullen van welke van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies dan ook.

Wat de aanscherping van het belastbaarheidspatroon door de bezwaarverzekeringsarts op 28 juni 2002 betreft constateert de Raad dat die aanscherping uitsluitend betrekking heeft gehad op de fysieke beperkingen. Wat de psychische beperkingen betreft is appellant door de verzekeringsarts i.o. op 13 november 2001 beperkt geacht alleen wat item 28A (werken onder tijdsdruk) betreft onder aantekening dat er geen sprake mag zijn van een continue hoog werktempo en door de bezwaarverzekeringsarts op 28 juni 2002 evenzeer alleen beperkt geacht wat item 28A betreft onder aantekening dat het gaat om een lichte beperking. In dit verschil is naar het oordeel van de Raad niet of nauwelijks een aanscherping te zien.
Bij de vraag aan Hoencamp of appellant naar zijn oordeel op de datum in geding in staat was tot het verrichten van de aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies verbonden werkzaamheden, heeft de Raad verwezen naar de verwoordingen functiebelasting in gedingstuk B23.5 e.v., de verkorte functieomschrijvingen in gedingstuk B23.19 e.v. en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 oktober 2002 in gedingstuk B28. Die vraagstelling is in zoverre niet helemaal gelukkig dat daarin wordt gesproken over de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, immers, daarin had moeten worden verwezen naar de - na de aanscherping op 28 juni 2002 van het belastbaarheidspatroon - door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden (op 2 na andere) functies. Aangezien in die vraagstelling tevens wordt verwezen naar zowel de gedingstukken B23.19 e.v. als het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige (gedingstuk B28), terwijl in dat rapport 11 door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde en in de gedingstukken B23.19 e.v. verkort omschreven functies worden genoemd en geduid, is de Raad gekomen tot de overtuiging dat uit de beantwoording door Hoencamp geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat Hoencamp van mening is dat appellant in verband met zijn psychische beperkingen ten tijde in geding niet in staat was te achten tot het vervullen van de op basis van het op 28 juni 2002 aangescherpte belastbaarheidspatroon geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies.
De Raad is van oordeel dat het onderzoek van Hoencamp zorgvuldig en volledig is geweest, terwijl niet is staande te houden dat de onvolkomenheid in de vraagstelling afdoet aan de deugdelijkheid van zijn motivering. De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts niet in diens kritiek op de bevindingen van Hoencamp. Naarmate er na de datum in geding meer tijd verstrijkt, zal het inderdaad des te moeilijker zijn om de ten tijde in geding heersende psychische problematiek retrospectief goed in beeld te krijgen, maar van een onafhankelijke medisch deskundige mag worden verwacht dat hij daartoe in staat is. De Raad vermag niet in te zien dat dat in dit geval niet is gelukt en dat, zoals door de bezwaarverzekeringsarts is betoogd, moet worden vastgehouden aan de bevindingen van de verzekeringsarts i.o., omdat die appellant op 13 november 2001, bijna 3 maanden vóór de datum in geding, op het spreekuur heeft gehad en lichamelijk heeft onderzocht.

Uit het vorenstaande volgt dat appellants hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, het inleidend beroep alsnog gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit alsnog dient te worden vernietigd.
Voorts acht de Raad termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 644,-- voor in beroep verleende rechtsbijstand (2 punten) en op eveneens € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt ook alsnog het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht (€ 29,-- + € 87,-- =) € 116,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x