Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5861
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Later toegenomen klachten.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2897 WAO en 04/2898 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 april 2004, 02/2260 en 03/1414 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.




II. OVERWEGINGEN


Bij het thans bestreden besluit van 29 april 2003 heeft het Uwv alsnog het bezwaar van appellante tegen het ten aanzien van haar ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 6 november 2001 gegrond verklaard. Daarbij was de uitkering ingevolge de WAO, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 26 december 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij het bestreden besluit is de uitkering in plaats daarvan per genoemde datum herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer als haar oordeel gegeven dat de stellingen van appellante tegen het bestreden besluit geen doel treffen en heeft dit besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij het niet eens is met de beslissing van het Uwv dat zij in een omvang van twintig uur per week werkzaamheden kan verrichten, omdat haar psychische klachten steeds erger zijn geworden, hetgeen voor de huisarts reden is geweest haar te verwijzen naar een psycholoog. Ter adstructie hiervan heeft appellante een intakerapport van 12 mei 2004 ingezonden van de GGz Nijmegen. Hieraan valt te ontlenen dat besloten is appellante voor haar psychische klachten zo snel mogelijk te behandelen.

Het Uwv heeft bij verweerschrift zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat appellante zich in mei 2004, derhalve tweeŽneenhalf jaar na de datum in geding, niet geschikt acht voor het verrichten van werkzaamheden in verband met een verergering van haar klachten, geen aanleiding geeft voor de veronderstelling dat de belastbaarheid van appellante ten tijde in geding niet op juiste wijze zou zijn vastgesteld.

Voorts heeft het Uwv in zijn verweerschrift gesteld dat het op de weg van appellante ligt om zich in verband met verergering van haar klachten toegenomen arbeidsongeschikt te melden waarna een nieuw beoordelingsmoment ontstaat.

De Raad onderschrijft dit betoog in zijn beide onderdelen. In hoger beroep heeft appellante geen gegevens ingezonden die betrekking hebben op haar gezondheidssituatie per 26 december 2001 noch vallen uit voormeld rapport van de GGz Nijmegen aanwijzingen te ontlenen dat de belastbaarheid van appellante toentertijd onjuist is ingeschat.

Ook overigens heeft de Raad geen reden voor het oordeel dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x