Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5933
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. De belastbaarheid is niet overschat en betrokkene is in staat tot het verrichten van de geselecteerde functies. Het opleidingsniveau is juist gewaardeerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2993 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 april 2004, 03/3683 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006. Namens appellante is - met voorafgaande berichtgeving - niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 11 april 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 11 juni 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Bij besluit van 14 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het namens appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 april 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad dat de belastbaarheid van appellante met de kritische functionele mogelijkhedenlijst van 8 november 2002, opgemaakt door de verzekeringsarts H.I. Jansen, en in bezwaar geaccordeerd door bezwaarverzekeringsarts M. Keus, niet is overschat.

De Raad merkt nog op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. De Raad neemt hierbij in overweging dat de bezwaarverzekeringsarts informatie heeft opgevraagd bij de appellantes behandelend psycholoog en huisarts en deze informatie in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Uit deze informatie valt ook naar het oordeel van de Raad geen verdergaande beperkingen af te leiden dan de verzekeringsarts bij haar onderzoek op 8 november 2002 heeft vastgesteld.

Uitgaande aldus van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid, is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten. De Raad is voorts van oordeel dat de relevante markeringen in de geduide functies afdoende zijn toegelicht.

Ten aanzien van het opleidingsniveau van appellante overweegt de Raad dat, gelet op appellantes opleiding en werkervaring, het Uwv appellantes opleidingsniveau met niveau 2 niet onjuist heeft gewaardeerd. Daarenboven merkt de Raad op dat bij de geselecteerde functies aan de aspecten lezen en schrijven slechts zeer beperkte eisen worden gesteld. Met betrekking tot het door het Uwv vastgestelde maatvrouwloon van appellante onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank heeft overwogen ter zake van de juistheid van de bepaling van dit loon bij een eerdere beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in 1995 in verband met uitval in 1994.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x