Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5941
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. De beperkingen zijn juist vastgesteld. Latere verslechtering van de gezondheidstoestand.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1635 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2004, 03/3424 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H.D. van Duijvenbode, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellente heeft bij schrijven van 26 april 2004, 9 september 2005 en 19 mei 2006 de beroepsgronden aangevuld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft hierop bij schrijven van 14 mei 2004, 21 september 2005 en 7 juni 2006 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellante is niet verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Bent, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 31 augustus 2001 is aan appellante per 7 december 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 9 juli 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 augustus 2001 ongegrond verklaard.

Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In dit geding is aan de orde of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 7 december 2000 (de in geding zijnde datum) heeft vastgesteld op 15 tot 25%.

In hoger beroep is namens appellante gesteld dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de door appellante in beroep overgelegde medische verklaringen. Gewezen is op verklaringen van de behandelend internist en psychiater. De diagnose ‘schildklierdysfunctie’ had al in december 2000 gesteld moeten worden en appellante had daarop moeten worden onderzocht. Verder is gewezen op de verklaring van medisch adviseur J.H.C.M. Foucher van 18 december 2003 waarin is aangegeven dat de psychische klachten voor een groot deel moeten worden toegeschreven aan de schildklierdysfunctie.
De grieven van appellante worden door de Raad niet onderschreven. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit, wat het medisch aspect betreft, kan worden gedragen door de rapporten van de verzekeringsarts H.W. Mulder van 18 december 2000 en de bezwaarverzekeringsarts S.C. Hekkelman-de Bie van 21 augustus 2002 en 9 mei 2003.

Mulder heeft appellante op het spreekuur gezien en is na een uitgebreide anamnese te hebben opgesteld tot de conclusie gekomen dat er bij appellante beperkingen bestaan als gevolg van psychische klachten.
Hekkelman-de Bie heeft na dossierstudie en bestudering van informatie van de huisarts deze conclusie onderschreven waarbij is opgemerkt dat er mogelijk ten gevolge van de schildklierproblematiek na december 2000 wel toenemend klachten zijn ontstaan doch de belastbaarheid per december 2000 juist is ingeschat. In haar aanvullende rapportage van 9 mei 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts nog nadere medische informatie van de behandelend internist en psychiater bij de beoordeling betrokken. De bezwaarverzekeringsarts onderkent dat uit de nadere informatie blijkt dat appellante ook al in december 2000 schildklierklachten had, doch zij blijft bij de conclusie dat er in het belastbaarheidspatroon voldoende beperkingen zijn weergegeven.

Het is de Raad niet gebleken dat het onderzoek naar de beperkingen onnauwkeurig of onjuist is verricht of dat appellante per de in geding zijnde datum, 7 december 2000, meer of anders beperkt was dan door de verzekeringsarts is aangenomen.
De Raad kan - anders dan appellante bepleit - uit de namens haar overgelegde informatie niet afleiden dat de beperkingen per 7 december 2000 onjuist zijn vastgesteld. Met de verslechtering in de gezondheidstoestand van appellante ná deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden.

De Raad is voorts van oordeel dat het Uwv aan appellante voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen heeft voorgehouden die vallen binnen de grenzen van de belastbaarheid van appellante en die de conclusie rechtvaardigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht en op goede gronden is vastgesteld op 15 tot 25%.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x