Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5943
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2796 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 april 2004, 03/339 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Nadien heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkert. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.F. Bergman.

De Raad heeft het onderzoek heropend teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen een met toestemming van de gemachtigde van het Uwv namens appellant ter zitting overlegde rapportage van CFS Research Center Amsterdam van 10 december 2003 ter becommentariŽring voor te leggen aan de bezwaarverzekeringsarts.

Bij schrijven van 19 juni 2006 heeft het Uwv een reactie van de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans, gedateerd 14 juni 2006, overgelegd.

Vervolgens hebben beide partijen desgevraagd meegedeeld ermee in te stemmen dat de Raad zonder vervolgzitting uitspraak doet.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 9 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juni 2002, waarbij de aan appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 29 juli 2002 is herzien en nader is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de uitkering van appellant ingevolge de WAO per 29 juli 2002 dient te worden herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%. Naar het oordeel van de rechtbank rust het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.

In hoger beroep heeft appellant in de eerste plaats verwezen naar hetgeen hij eerder in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. In aansluiting hierop heeft hij - kort samengevat - gesteld dat sprake is van een onzorgvuldige medische voorbereiding, de (duur)beperkingen zijn onderschat en de aan de schatting ten grondslag liggende functies medisch niet geschikt zijn.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan de rechtbank op grond van de voorhanden zijnde gegevens van medische aard volgen in het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit. Ook de Raad is op basis van hetgeen namens appellant is aangevoerd niet kunnen blijken dat het Uwv zich bij zijn bestreden besluit niet zou hebben kunnen baseren op de door de verzekeringsarts M.J. Susnja-Jovanovic en de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans uitgebrachte rapportages. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich mede gebaseerd op desgevraagd verkregen informatie van de huisarts van appellant. Geenszins is kunnen blijken dat de (bezwaar)verzekeringsarts een onvolledig of onjuist beeld had van de bij appellant bestaande beperkingen van medische aard. Nu appellant sedert jaren niet meer onder behandeling van een psycholoog stond was er voor de (bezwaar)verzekeringsarts uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding geen aanleiding tot het vragen van een deskundigenoordeel ten aanzien van appellants psychische mogelijkheden.
Het ter zitting in hoger beroep overgelegde rapport van CFS Research Center Amsterdam van 10 december 2003 werpt naar het oordeel van de Raad geen ander licht op de zaak. De Raad is met de bezwaarverzekeringsarts Offermans van oordeel dat genoemd rapport geen objectief medische aanknopingspunten biedt die wijzen op een onderwaardering van de ten aanzien van appellant aangenomen beperkingen, zoals deze zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 februari 2002.

Evenals de rechtbank is de Raad verder van oordeel dat in het licht van de door de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof gegeven toelichting de aan de schatting ten grondslag liggende functies passen binnen de grenzen van de opgestelde FML en dat appellant, ook gelet op zijn bekwaamheden, geschikt was om deze functies te vervullen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2006

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x