Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5951
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/557 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2003, kenmerk 02/3523 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was via een uitzendbureau gedurende 32 uur per week werkzaam als medewerker postverwerking toen hij zich op 15 augustus 2000 voor dat werk heeft ziek gemeld met knie- en vermoeidheidsklachten.

Bij besluit van 5 juli 2002 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2001 waarbij is geweigerd aan hem per 14 augustus 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en het een en ander bepaald over vergoeding van het griffierecht.
Wat de medische grondslag van het besluit op bezwaar betreft heeft de rechtbank overwogen dat en aangegeven waarom zij geen aanleiding ziet die onjuist te achten en dat zij evenmin aanleiding ziet appellants verzoek tot inschakeling van een (medische) deskundige te honoreren.
Wat de arbeidskundige grondslag betreft is de rechtbank gekomen tot de conclusies dat het door het Uwv ingenomen standpunt niet in overeenstemming is met de zogeheten deeltijdjurisprudentie van de Raad en dat om die reden het bestreden besluit geen stand kan houden. Vervolgens heeft de rechtbank om een aantal in de aangevallen uitspraak genoemde redenen aanleiding gezien gebruik te maken van haar bevoegdheid de rechtsgevolgen van het (te vernietigen) besluit op bezwaar in stand te laten.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij ten tijde in geding medisch, met name psychisch, aanmerkelijk meer beperkt was dan vanwege het Uwv is aangenomen en dat het medisch onderzoek vanwege het Uwv niet zorgvuldig is geweest. Voorts heeft appellant de Raad verzocht een medische deskundige te benoemen. De Raad heeft appellant bij brief van 6 december 2005 meegedeeld tot dat laatste vooralsnog geen aanleiding te zien en hem in de gelegenheid gesteld zelf een deskundige in te schakelen. Vervolgens heeft appellant bij brief van 10 maart 2006 overgelegd een van 18 oktober 2005 daterend intakerapport van A.J.M.M. Alleman, als psychiater verbonden aan de Arta-Lievegoedgroep voor antroposofische psychiatrie en verslavingszorg, naar wie of waarnaar appellant was verwezen door zijn huisarts tot wie hij zich op 16 september 2005 had gewend met klachten over een verdere verslechtering van zijn gezondheid, hoofdzakelijk bestaande uit blijvende vermoeidheid die toeneemt bij belasting.

De Raad overweegt als volgt.

In hoger beroep heeft appellant zich wat zijn grieven betreft beperkt tot de medische kant van de zaak en aangevoerd dat hij ten tijde in geding volledig arbeidsongeschikt was.
De Raad kan zich geheel vinden in de uitgebreide overwegingen van de rechtbank die zich heeft aangesloten bij de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft appellant op 27 juni 2001 gezien, geen aanleiding gevonden gegevens bij de zogeheten behandelende sector op te vragen en een belastbaarheidspatroon opgesteld waarin geen psychische beperkingen zijn aangegeven. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant tijdens de hoorzitting gezien, bij de appellant behandelende huisarts en longarts gegevens opgevraagd (en van hen verkregen) en het belastbaarheidspatroon aangescherpt in die zin dat op een tweetal punten lichte psychische beperkingen zijn aangenomen, te weten wat het werken onder tijdsdruk en conflicthantering betreft.
Niet is staande te houden dat aan het bestreden besluit geen zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt en dat de getrokken conclusies niet naar behoren zijn gemotiveerd.
In het rapport van Alleman is als diagnose volgens DSM IV op As 1 vermeld: "Depressieve stoornis 1e episode matig 296.22 vanaf 2000 Ongedifferentieerde somatoforme stoornis (vermoeidheid), vanaf 2000". Uit dat niet met de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen op n lijn liggende rapport kan niet blijken dat die diagnose is gebaseerd op andere medische gegevens dan de gegevens die appellant ruim 4 jaar na de datum in geding tijdens de intake zelf aan Alleman heeft verstrekt. Voorts wordt in dat rapport melding gemaakt van diverse, soms ingrijpende feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan n de datum in geding (14 augustus 2001) en dus niet mogen worden betrokken in de beoordeling van appellants medische situatie op de datum in geding. Tevens is het zo dat de diagnose niet bepalend is voor de eventueel vast te stellen beperkingen. Het - voor een ander doel geschreven - intakerapport van Alleman ontbeert de objectivering die nodig is om conclusies te kunnen trekken wat de situatie ten tijde in geding betreft.

Gelet op het vorenstaande faalt appellants hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Termen voor een proceskostenveroordeling zijn niet aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x