Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5966
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Is de medische en arbeidskundige grondslag juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2899 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 april 2004, kenmerk 03/743 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Mr. P. Ruitenberg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. de Groot, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Het Uwv was vertegenwoordigd door F.G.E. Houtbeckers.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, voorheen werkzaam als ploegbaas bij een Duits textielproductiebedrijf, heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie op 20 oktober 1998 arbeidsongeschikt gemeld met klachten van zijn bewegingsapparaat en met psychische klachten. Per 19 oktober 1999 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is per 10 januari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Na een melding van per 3 april 2002 toegenomen arbeidsongeschiktheid is de uitkering per 1 mei 2002 wederom herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op grond van de resultaten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is de uitkering bij besluit van 6 december 2002 per 4 februari 2003 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het tegen het besluit van 6 december 2002 ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 15 april 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard, zulks nadat de bezwaarverzekeringsarts de FML op enkele punten had aangepast en de bezwaararbeidsdeskundige had vastgesteld dat deze aanpassing geen gevolgen had voor de houdbaarheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit als juist aanvaard.

Appellant houdt ook in hoger beroep staande dat hij zowel lichamelijk als psychisch ernstiger beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat de belasting, verbonden aan de geduide functies, zijn belastbaarheid overschrijdt.

Het Uwv heeft bij zijn verweerschrift een rapport, gedateerd 4 augustus 2004, van de bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom overgelegd, in welk rapport is gemotiveerd waarom de geduide functies, tegen de achtergrond van de door de bezwaarverzekeringsarts bijgestelde FML, passend zijn te achten.
Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een expertiserapport, gedateerd 29 november 2004, van prof. dr. M. Kuilman, psychiater te Amsterdam, overgelegd.

De Raad overweegt dat aan het rapport van prof. Kuilman niet kan worden ontleend dat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding (4 februari 2003) door het Uwv onjuist is ingeschat. Prof. Kuilman vermeldt in de beantwoording van de hem voorgelegde vraagstelling dat hij zich, met inachtneming van de toevoegingen van de bezwaarverzekeringsarts, kan verenigen met de opgestelde FML. Hij heeft daaraan toegevoegd dat appellants beperkingen op een aantal fronten van het dagelijks functioneren inmiddels verder zijn toegenomen.

Dienaangaande merkt de Raad op dat een wijziging van de belastbaarheid, opgetreden na de datum in geding, in het kader van het onderhavige (hoger) beroep buiten beschouwing moet blijven. De belastbaarheid van appellant op de datum in geding is, gelet op het rapport van prof. Kuilman, door het Uwv juist ingeschat.

Met betrekking tot de arbeidskundige component van de schatting overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige Van Belkom in zijn rapport van 4 augustus 2004 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant passend zijn te achten.

De opmerkingen van de gemachtigde van appellant in haar brief van 22 mei 2006 over de ondeugdelijkheid van de nieuwe release van het CBBS kunnen onbesproken worden gelaten, aangezien de bezwaararbeidsdeskundige Van Belkom bij het opstellen van zijn rapport van 4 augustus 2004 geen gebruik heeft gemaakt van die release.

Nu eerst in hoger beroep een afdoende motivering van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is verschaft, dient het bestreden besluit volgens vaste jurisprudentie te worden vernietigd. Aangezien appellant, materieel bezien, per 4 februari 2003 terecht is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%, is er aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Appellant komt in aanmerking voor vergoeding van proceskosten. Deze worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 644,- voor in beroep en op 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede op 1.365,- voor het door prof. Kuilman uitgebrachte rapport, in totaal derhalve 2.653,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten ten bedrage van 2.653,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van 133,- in totaal aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x