Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5968
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid? De noodzaak van een nieuw arbeidskundig rapport.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3982 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 juni 2004, 03-1516 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006.
Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was werkzaam als buschauffeur in opleiding, toen hij zich op 17 augustus 2001 ziek meldde met rug- en psychische klachten. De verzekeringsarts M.R.H. Brautigam, die appellant heeft beoordeeld in het kader van zijn aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in aansluiting op het volmaken van de wachttijd, stelde blijkens het van die beoordeling opgemaakte rapport van 4 juli 2002 vast dat appellant nog een verminderde psychische spankracht heeft. In verband hiermede achtte Brautigam appellant beperkt voor werkdruk en conflicthantering. Voorts diende arbeid tevens sparend voor de linker arm en niet al te rugbelastend te zijn. Brautigam legde een en ander vast in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 11 juli 2002. Vervolgens selecteerde de arbeidsdeskundige R. de Boer blijkens het rapport van 9 augustus 2002 een aantal functies en berekende hij het verlies aan verdienvermogen op 16,78%. Daarna kende het Uwv bij besluit van 3 september 2002 aan appellant met ingang van 23 augustus 2002 een WAO-uitkering toe, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Naar aanleiding van een melding van appellant van 3 december 2002 van toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 16 september 2002 is appellant op 27 januari 2003 onderzocht door de verzekeringsarts A. Akyuz. Blijkens het rapport van Akyuz van dezelfde datum gaf appellant aan dat sprake was van toegenomen linkerarm-, rug- en psychische klachten. Op basis van de weergave in dit rapport van het lichamelijk en psychisch onderzoek, alsmede uitgaande van de diagnose spanningsklacht en chronische aspecifieke rugpijn concludeerde Akyuz dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak in verband waarmede appellant WAO-uitkering genoot. Vervolgens weigerde het Uwv bij het primaire besluit van 10 februari 2003 verhoging van de WAO-uitkering van appellant omdat geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 16 september 2002.

In de bezwaarprocedure, waarin de gemachtigde van appellant wees op de toegenomen klachten en beperkingen en op het wisselend resultaat van de behandeling bij de RIAGG, heeft de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries het onderzoek van Akyuz onderschreven. De Vries wees in het rapport van 25 juli 2003 op de informatie van de huisarts van 10 februari 2003. Deze informatie, welke trouwens ook op 3 maart 2003 door Akyuz met pen op zijn rapport samengevat is aangetekend, hield in dat er bij appellant sprake was van spanningsklachten met dysthyme trekken in aansluiting op een arbeidsconflict/ontslag, gedeeltelijk vertaald in rugklachten, dat de prognose goed was en dat het beeld niet toenam. Vervolgens handhaafde het Uwv bij zijn besluit van 5 augustus 2003 het primaire besluit.

De rechtbank zag geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het medisch oordeel van Akyuz en De Vries onjuist was en verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

In hoger beroep, waarin het standpunt van appellant is gehandhaafd, heeft de gemachtigde van appellant nog een rapport van het psychologisch adviesbureau Lijftogt van 26 februari 2004 overgelegd. Volgens dit rapport is er bij appellant sprake van psychotische decompensatie met desintegratietoestanden en niet, gezien de duur van de pathologische verschijnselen, van een reactieve psychose.

De Raad is, gelet op het onderzoek van Akyuz en De Vries, alsmede in aanmerking genomen de informatie van de huisarts en de overige informatie van verzekeringsgeneeskundige onderzoeken gedurende de wachttijd, niet tot de overtuiging gekomen dat de bevindingen in het rapport van het adviesbureau, welke zozeer verschillen van evenbedoelde onderzoeken en informatie, ook reeds opgaan voor de medische situatie van appellant op 16 september 2002 en acht het veeleer aannemelijk dat deze bevindingen van betekenis zijn voor een weging van de medische situatie van appellant ruim na de datum thans in geding.

De Raad merkt voorts op dat in het bestreden besluit is aangegeven dat daarbij de toepassing van artikel 39 van de WAO aan de orde is en dat ter zitting is gebleken dat vanwege het Uwv niet ook een arbeidskundig onderzoek is verricht ter onderbouwing van het bestreden besluit. Hoewel een dergelijk onderzoek ook bij de toepassing van artikel 39 van de WAO, evenals bij de toepassing van artikel 38 van de WAO, aangewezen is, ziet de Raad - in lijn met zijn uitspraak van 13 mei 2003 (RSV 2003,190) met betrekking tot de toepassing van artikel 38 van de WAO - in dit geval geen aanleiding het bestreden besluit uit hoofde van evenbedoeld gebrek onjuist te achten. De Raad stelt namelijk vast dat er in dit geval sprake is van een gering tijdsverloop - te weten ruim vijf weken - tussen het rapport van De Boer van 9 augustus 2002 en de thans in geding zijnde datum, hetgeen niet aannemelijk maakt, dat, gelet op het berekende verlies aan verdienvermogen in dat rapport dit tijdsverloop zou hebben kunnen leiden tot een voor de toepassing van de WAO relevante wijziging van het maatmaninkomen. Ook overigens is de Raad niet gebleken van arbeidskundige gebreken die tot het oordeel zouden moeten leiden dat het bestreden besluit onjuist is.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x