Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5973
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Zijn de medische beperkingen juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1427 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 februari 2004, 02/1602, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Voor appellante is verschenen mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.J.H. Maas.




II. OVERWEGINGEN


Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

Bij besluit van 26 februari 2002 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 oktober 1998 (tot voortzetting per 8 september 1998 van de eerder aan appellante naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45% toegekende WAO-uitkering) gegrond verklaard en in zoverre herzien dat aan appellante per 9 oktober 1998 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% wordt toegekend.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het evenvermelde besluit op bezwaar gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de aan appellante toegekende WAO-uitkering per 8 september 1998 wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% en het een en ander beslist over griffierecht en proceskosten.
De rechtbank heeft onder meer overwogen op grond van de beschikbare medische gegevens van oordeel te zijn dat (door het Uwv) ten aanzien van appellante de juiste medische beperkingen tot het verrichten van arbeid in aanmerking zijn genomen en dat appellante met inachtneming van die beperkingen in staat moet worden geacht de haar voorgehouden en aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

In hoger beroep heeft appellante zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat uit het (door appellante in beroep aan de rechtbank overgelegde) rapport van de psychiater dr. J.P.M. Gerards van 3 maart 2003 niet kan worden geconcludeerd dat appellante in 1998 wegens ziekte of gebrek buiten staat zou zijn werkzaamheden te verrichten, omdat Gerards heeft aangegeven dat zij lijdt aan stemmingsstoornissen met depressieve kenmerken alsook cluster c-kenmerken heeft en niet heeft gesproken over een persoonlijkheidsstoornis of een ander(e) psychiatrisch(e) ziekte of gebrek.
Ter ondersteuning van haar betoog dat de rechtbank het op dit punt bij het verkeerde eind heeft, heeft appellante ingebracht een brief van Gerards van 5 april 2004, waarin deze tot de conclusie is gekomen (dat gesteld kan worden) dat de in ernst toenemende depressie bij appellante in 1998 zodanige vormen had aangenomen dat er toentertijd reeds sprake was van arbeidsongeschiktheid.

Het Uwv heeft in reactie op de brief van Gerards van 5 april 2004 ingebracht een rapport van de bezwaarverzekeringsarts F.A.M. Samuels van 26 mei 2004. Daarin is bij hetgeen Gerards ter ondersteuning van zijn opvatting heeft aangevoerd, namelijk nadat aan appellante reeds antidepressiva waren voorgeschreven door de behandelend neuroloog, nota bene, toen zij zich bij mij op het spreekuur meldde, is aangetekend dat het door de behandelend neuroloog voorgeschreven antidepressivum tryptizol 10 mg niet bedoeld is geweest om een depressie te behandelen, maar om in combinatie met de door die neuroloog eveneens voorgeschreven melatonine 3 mg appellante een betere nachtrust te geven.

De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank alsook hetgeen de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd en overweegt daartoe als volgt.
Partijen zijn het er met elkaar over eens dat appellante per de datum in geding (8 september 1998) ongeschikt was voor haar eigen werk als basisonderwijsleerkracht.
Wat partijen verdeeld houdt is of appellante per die datum medisch gezien in staat was de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Gerards heeft in zijn brief van 5 april 2004 vermeld dat de psychiatrische stoornis in 1998 reeds zodanig aanwezig was dat appellante niet in staat was op adequate wijze haar arbeid te verrichten. Mede gelet op het feit dat Gerards tevens heeft gesteld dat er in 1998 sprake was van arbeidsongeschiktheid, acht de Raad niet op voorhand uitgesloten dat Gerards niet bewust heeft bedoeld zich te beperken tot hr arbeid. De Raad gaat er vanuit dat hij heeft bedoeld zich op het standpunt te stellen dat appellante in 1998 in het geheel niet in staat was tot het verrichten van welke arbeid dan ook.
Met dat aldus begrepen standpunt kan de Raad zich niet verenigen. Ter zitting van de rechtbank op 11 juli 2003 heeft appellante verklaard dat haar depressieve klachten na 1998 erger zijn geworden. Appellante is eerst sinds 13 december 2001 bij Gerards in behandeling, zo is in de brief van Gerards van 3 maart 2003 vermeld. De verklaringen van Gerards zijn wat de medische situatie waarin appellante op 8 september 1998 verkeerde betreft retrospectief. Aangezien uit die verklaringen niet kan blijken dat daaraan ook andere (te weten objectieve historische medische) gegevens ten grondslag liggen dan de door appellante aan hem verstrekte (subjectieve) gegevens, kan aan die verklaringen niet de betekenis worden toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien.
Voorts acht de Raad het standpunt van het Uwv in voldoende mate onderbouwd en het standpunt van appellante afdoende weerlegd in de van de (bezwaar)verzekeringsartsen afkomstige rapporten.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Termen voor een proceskostenvergoeding zijn niet aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x