Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6009
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Is de medische en arbeidskundige grondslag juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4703 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2004, 03/1872 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 7 oktober 2004 heeft mr. G.P. Buise, advocaat te Rotterdam, zich als gemachtigde van appellant gesteld. Bij brief van 26 oktober 2004 heeft mr. Buise meegedeeld dat zijn bemoeienis met deze zaak op verzoek van appellant is beindigd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraag door de Raad heeft het Uwv op 10 januari 2006 het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige F. Oudmaijer van 22 december 2005 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, die al eerder een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) had ontvangen in verband met een ziekmelding op 20 mei 1974, heeft zich op 24 april 1980 voor de toen door hem verrichtte arbeid ziek gemeld wegens rugklachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd heeft de toenmalige Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid appellant met ingang van 27 april 1981 onder andere een WAO-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een beroepsprocedure heeft de toenmalige bedrijfsvereniging bij besluit van 28 april 1986 evengenoemd arbeidsongeschiktheidspercentage op en na 1 juli 1985 gehandhaafd. Bij besluit van 11 september 1996 heeft meergenoemde bedrijfsvereniging in het kader van een herbeoordeling de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant onveranderd vastgesteld op 80 tot 100% omdat bij het arbeidskundig onderzoek bleek dat geen restverdiencapaciteit viel vast te stellen.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om voortzetting van zijn WAO-uitkering is appellant op 23 januari 2002 en na een klacht wegens onvolledig onderzoek op 2 mei 2002 onderzocht door de verzekeringsarts K. Golab. Deze heeft in zijn rapport van 2 mei 2002 aangegeven dat in verband met de rug-, nek- en knieklachten van appellant beperkingen gelden, zoals deze in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 januari 2002 zijn neergelegd. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 20 maart 2002 heeft de arbeidskundige R.B. van Vliet blijkens het rapport van 14 juni 2002 een aantal functies geduid en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 42,5%. Vervolgens nam het Uwv - na eerst op 19 juli 2002 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2001 onveranderd te hebben voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% - het primaire besluit van 22 juli 2002, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 september 2002 werd herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In de bezwaarprocedure is appellant op 13 november 2002 onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts J.H. de Bruine. In zijn rapport van dezelfde datum heeft De Bruine bij het onderzoek van de rug geen duidelijke standsafwijking en enige beperkingen in de beweeglijkheid van de rug vastgesteld. Tevens vermeldde De Bruine de beschikbare informatie van de behandelend neuroloog van 22 oktober en 15 november 1999 omtrent de rugklachten en de behandelend orthopedisch chirurg van 8 februari en 7 maart 2000 omtrent de knieklachten. De Bruine zag geen aanleiding de vastgestelde belastbaarheid te wijzigen.
Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw in haar rapport van 22 april 2003 vastgesteld dat uit de SBC-code 111170 n functie met twee arbeidsplaatsen diende te vervallen wegens een te forse overschrijding van het aspect buigen. De Zeeuw stelde vast dat het mediane loon daardoor uitkwam op 9,62 en berekende het verlies aan verdienvermogen op 45,3%. Daarna verklaarde het Uwv bij besluit van 13 mei 2003 het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond en wijzigde het Uwv het primaire besluit in zoverre dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 september 2002 werd herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 13 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

In hoger beroep heeft appellant gewezen op zijn vele pogingen in de jaren tachtig van de vorige eeuw om aan het werk te komen, waarbij hij weinig medewerking van de toenmalige Bedrijfsvereniging kreeg. Voorts heeft hij gewezen op zijn rug- en knieklachten en op het naar zijn mening ten onrechte vervallen van artikel 21, tweede lid, van de WAO. Ten slotte maakte appellant bezwaar tegen de opmerkingen van Van Vliet tijdens het arbeidskundig onderzoek. De - tijdelijke - gemachtigde van appellant keerde zich tegen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Met de rechtbank is ook de Raad niet gebleken dat de ten behoeve van appellant opgestelde FML op onjuiste dan wel onvolledige wijze de functionele mogelijkheden en beperkingen van appellant weerspiegelt. Door appellant zijn ook in hoger beroep geen gegevens van medische aard overgelegd die ander licht zouden kunnen werpen op de gezondheidstoestand van appellant op 13 september 2002, de datum bij het bestreden besluit in geding. De mededeling van appellant ter zitting dat hij in 2005 in elkaar gezakt is, dat niet duidelijk is of dit met zijn hart te maken had en dat hij thans onder behandeling is van een longarts, terwijl ook nog bezien wordt of hij lijdende is aan slaapapneu maakt het vorenstaande niet anders.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de onderhavige schatting met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) merkt de Raad op dat weliswaar in de bezwaarprocedure in het rapport van De Zeeuw enige nadere toelichting ten aanzien van enkele overschrijdingen in de geduide functies is verstrekt, maar dat eerst naar aanleiding van een vraag van de Raad in verband met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004
(LJN AR4716 t/m AR4722) een meer uitvoerige toelichting op mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellant in de geduide functies is gegeven. Deze toelichting komt de Raad afdoende voor. Gelet op evengenoemde uitspraken van de Raad en in aanmerking genomen dat het bestreden besluit is genomen voor 1 juli 2005 ziet de Raad aanleiding het beroep van appellant gegrond te verklaren, het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsmede de aangevallen uitspraak te vernietigen, maar met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand te laten.

Met betrekking tot de door appellant gestelde gang van zaken bij de door hem in de jaren tachtig van de vorige eeuw ondernomen pogingen tot werkhervatting merkt de Raad nog op dat, wat daar ook van zij, de WAO inmiddels vele malen is gewijzigd en het bestreden besluit uitsluitend wordt beoordeeld aan de hand van het ten tijde van de datum daarbij in geding, te weten 13 september 2002, van toepassing zijnde recht. In dit verband wijst de Raad erop dat het ook door appellant vermelde artikel 21, tweede lid, van de WAO, zoals dit luidde tot 1 januari 1987 en dat destijds voorzag in de zogenoemde verdiscontering van werkloosheid, reeds in verband met het bij artikel 52, eerste lid, van de Invoeringswet Stelselherziening Sociale Zekerheid gegeven overgangsrecht met ingang van 1 januari 1987 ten aanzien van appellant, die geboren is op 10 oktober 1949, niet meer van toepassing bleef.
De Raad overweegt ten slotte, dat van de door appellant gestelde bejegening van de zijde van Van Vliet tijdens het gesprek omtrent de arbeidskundige kant van de schatting uit zijn rapport niets valt af te leiden en dat, voorzover sprake is geweest van een buiten het bestek van de beoordeling van de aanspraken van appellant ingevolge de WAO vallende, volgens appellant onbehoorlijke, bejegening van de kant van Van Vliet, hij daartoe volgens de daarvoor geldende regelingen bij het Uwv een klacht kan dan wel heeft kunnen indienen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 166,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op 25,88 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal 513,88.
De Raad tekent daarbij aan dat de gemachtigde, die appellant in eerste aanleg gedurende korte tijd beroepsmatig rechtsbijstand verleende, alleen een zogeheten pro-formaberoepschrift heeft ingediend. Voorts merkt de Raad op dat bij de vergoeding van reiskosten tot uitgangspunt dient te worden genomen het woonadres, zoals dat door of namens appellant is opgegeven aan de Raad dan wel, zoals dat blijkt uit de gemeentelijke basisadministratie, en niet een (tijdelijk) verblijfadres elders.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 513,88, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x