Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6037
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. De medische en arbeidskundige grondslag is onvoldoende gemotiveerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4708 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 juli 2004, 04/700 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. S. Broens , advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 juli 2006. Partijen zijn - met kennisgeving - niet ter zitting verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante was werkzaam als verkoopster toen zij op 13 januari 1999 uitviel met beenklachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd heeft de rechtsvoorganger van het Uwv bij besluit van 10 februari 2000 aan appellante met ingang van 12 januari 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in het kader van de zogenoemde eerstejaars herbeoordeling is op 13 november 2000 een handgeschreven FIS-formulier opgesteld met blijkens het rapport van de verzekeringsarts Y.M. Margry van 14 december 2000 (forse) beperkingen voor staan, lopen, dragen en tillen. Na ontvangst van informatie van de appellante behandelend revalidatiearts M.A.H. Brouwers van 25 januari 2001 concludeerde Margry op 22 februari 2001 dat appellante beperkt is inzake haar linker heup en als gevolg van recidiverende rugklachten. De voorkeur van Brouwers voor een geleidelijke opbouw van werkzaamheden deelt Margry niet en er is volgens Margry dan ook geen aanleiding om een urenbeperking te stellen. Omdat bij functieduiding bij het arbeidskundig onderzoek geen verlies aan verdiencapaciteit werd vastgesteld, heeft de rechtsvoorganger van het Uwv bij primair besluit van 16 maart 2001 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 31 maart 2001 ingetrokken.

De bezwaarverzekeringsarts J. de Koning onderschreef op 14 januari 2002 de conclusie van Margry ten aanzien van het achterwege laten van een urenbeperking.
Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige A. Diepenhorst blijkens het rapport van 7 mei 2002 enkele functies laten vervallen en de schatting gebaseerd op de functies assemblagemedewerker (fb-code 8463), monteur (fb-code 8538) en confectienaaister
(fb-code 7952). Volgens Diepenhorst was er, uitgaande van de middelste van deze drie hoogst verlonende functies, andermaal geen verlies aan verdiencapaciteit. Vervolgens verklaarde het Uwv bij zijn besluit van 18 oktober 2002 het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 18 oktober 2002 bij uitspraak van 30 oktober 2003 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens gaf de rechtbank beslissingen omtrent vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.
Aan deze uitspraak heeft de rechtbank - samengevat weergegeven - ten grondslag gelegd dat bij de behandeling van het beroep duidelijk is geworden dat bij de heroverweging van het primaire besluit de brieven van Brouwers van 24 september 2001 en 29 januari 2002 niet zijn meegenomen. Volgens de rechtbank zijn deze brieven voldoende duidelijk en specifiek om aannemelijk te maken dat de belastbaarheid van appellante wordt beperkt door haar been- en rugklachten. Voorts stelde de rechtbank vast dat onvoldoende duidelijk was of een aantal functies passend was vanwege de vereiste voetpedaalbediening.

Na deze uitspraak van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté in zijn rapport van 28 oktober 2003 de in die uitspraak bedoelde brieven van Brouwers nader gewogen ten aanzien van vertreden, voetpedaalbediening, rugklachten en urenbeperking. Wat betreft de voetpedaalbediening merkte Kreté op dat er geen medische redenen zijn tegen een niet frequente pedaalbediening met de rechter voet onder goede ergonomische omstandigheden. Volgens Kreté dienden de geduide functies op dit punt arbeidskundig nader te worden bezien. Met betrekking tot de rugklachten stelde Kreté vast dat in het FIS-formulier ook daarvoor beperkingen zijn aangegeven. Kreté handhaafde ten slotte het standpunt dat, gezien de vastgestelde beperkingen, er geen aanleiding is voor een urenbeperking.

De bezwaararbeidsdeskundige M.M. Arts heeft in haar rapport van 19 december 2003 de nog resterende functies bezien op het aspect pedaalbediening en per fb-code gemotiveerd aangegeven waarom haars inziens deze wat betreft dit aspect niet langer (geheel) kunnen blijven gehandhaafd. Tevens heeft Arts aangegeven geen aanleiding te hebben tot twijfel omtrent de juistheid van het bij de functie advertentieacquisiteur (fb-code 4722) gestelde opleidingsniveau van basisonderwijs in verband met de tevens vereiste goede taalbeheersing en niet het standpunt van de gemachtigde van appellante te delen dat iemand met een lage opleiding geen goede taalbeheersing kan hebben. Arts heeft uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegd de functies printplatenmonteur (fb-code 8538), wikkelaar (fb-code 8535) en advertentieacquisiteur (fb-code 4722) en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 6%. Met betrekking tot de functie wikkelaar merkte Arts nog op dat in de eerdere bezwaarprocedure de functie met het functienummer 3621-0051-011 was vervallen in verband met wisselende diensten en dat thans in het verlengde van deze fb-code een functie wikkelaar zonder toeslag voor wisselende diensten en met functienummer 3621-0051-001 is bijgeduid.

Naar aanleiding van de rapporten van Ars en Kreté heeft het Uwv vervolgens bij besluit van 4 februari 2004 het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit andermaal ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 4 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft thans de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven op de in de aangevallen uitspraak aangegeven gronden. Voorts achtte de rechtbank de door Kreté geformuleerde - en hiervoor weergegeven - eisen voor aanvaardbaarheid van pedaalbediening, gelet op het feit dat Brouwers een en ander enkel afhankelijk stelde van zwaarte en voldoende afwisseling van houding en beweging, niet onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank kon appellante ook niet volgen in haar bezwaren ten aanzien van de gestelde beperkingen inzake tillen en dragen, gelet op het feit dat appellante met een stok loopt, en zag geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv in de drie thans overgebleven functies onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante. Verder zag de rechtbank met Kreté dat de onderzoekgegevens geen aanleiding gaven tot het stellen van een urenbeperking en achtte deze ook niet aangewezen ter voorkoming van overbelasting en de daaruit voortvloeiende ziekteverschijnselen.
Wat betreft de arbeidskundige kant onderschreef de rechtbank hetgeen Arts opmerkte omtrent het vereiste opleidingsniveau in de resterende functies en volgde zij onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven uitleg van Arts appellante niet in haar grief dat de functie wikkelaar niet kan worden gehandhaafd omdat deze bij het besluit van 18 oktober 2002 was vervallen.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen omtrent de aanvaardbaarheid van het achterwege laten door het Uwv van een urenbeperking, omtrent het standpunt van het Uwv inzake het opleidingsniveau in de geduide functies en de aanvaardbaarheid van de geduide functies in het licht van de belastbaarheid van appellante. Ter toelichting van deze bezwaren heeft de gemachtigde nog verwezen naar haar brief van 14 juni 2004 aan de rechtbank.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat hij, anders dan de rechtbank, onvoldoende gemotiveerd acht waarom het Uwv in het kader van werkhervatting door appellante in geduide functies met ingang van de datum in geding tot het stellen van een urenbeperking - al dan niet in gefaseerde vorm - geen aanleiding zag. De Raad wijst in dit verband op hetgeen Brouwers in zijn brieven van 25 januari 2001, 24 september 2001 en 28 januari 2002 ter zake heeft opgemerkt. In de eerstgenoemde brief spreekt Brouwers zijn twijfel uit over hele dagen werken voor appellante en zijn sterke voorkeur, mede in het licht van de ervaringen tijdens de revalidatiedagbehandeling, voor een gedeeltelijke werkhervatting en geleidelijke uitbouw. In de brief van 28 januari 2002 wijst Brouwers op het risico voor ontwikkeling van secundaire rugklachten bij appellante, hetgeen meebrengt dat de beoordeling van de belastbaarheid van de rug aan de praktijk moet worden getoetst. In het licht van de door de rechtsvoorganger van het Uwv vastgestelde standaard verminderde arbeidsduur van 13 april 2000 en met name hetgeen is vastgelegd ten aanzien van het aannemen van een urenbeperking op grond van een preventief aspect, acht de Raad de reactie van Kreté op het gestelde ter zake in de brief van Brouwers van 28 januari 2002 onvoldoende. In het bijzonder valt naar het oordeel van de Raad niet zonder meer in te zien waarom, zoals uit de rapporten van de Koning en Kreté kan worden afgeleid, een gefaseerde hervatting in geduide functies in het kader van de WAO niet mogelijk zou zijn.

De Raad stelt voorts vast dat in het Fis-formulier van 13 november 2000 bij het onderdeel lopen een penaantekening is geplaatst, die voorzover leesbaar er op neerkomt dat een stukje verder lopen met één stok geen probleem is zonder dragen. Het is de Raad opgevallen dat bij de onderdelen tillen en dragen geen aantekening is geplaatst in verband met het feit dat appellante beperkt is door het lopen met een stok. In dit verband kan er niet aan worden voorbijgezien dat in de functie printplatenmonteur blijkens de verwoording functiebelasting op de onderdelen 13 en 15 onderscheidenlijk 5 keer per uur 5 kg moet worden getild en een half uur per werkdag 5 kg moet worden gedragen. Blijkens het gestelde bij deze onderdelen gaat het om het tillen en dragen van rekken, bakken of dozen tussen werkplekken, hetgeen bevestiging vindt in het overzicht verkorte functieomschrijving van deze functie. Uit het geheel van de beschikbare gegevens omtrent deze functie valt niet af te leiden of deze rekken, bakken of dozen met één hand kunnen worden gedragen en wat de afstand is tussen deze werkplekken. Hetzelfde geldt voor het tillen en dragen van een “Bakje met componenten (1x/u). Inc. rol koperdraad” in de functie wikkelaar. Ten aanzien van deze functie vermag de Raad evenals de rechtbank overigens niet in te zien dat bij het bestreden besluit niet een tot de fb-code 8535 behorende functie zonder wisselende diensten zou mogen worden bijgeduid om de enkele reden dat in een eerder stadium van de procedure deze fb-code is komen te vervallen omdat de toen geduide functie wikkelaar wel in wisselende dienst werd uitgevoerd.
De Raad ziet overigens ook geen aanleiding voor onjuist te houden hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen omtrent de pedaalbediening met de rechtervoet en het opleidingsniveau van de geduide functies.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. Hetzelfde lot treft de aangevallen uitspraak.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.
Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over vergoeding van mogelijke schade in de vorm van wettelijke rente, welke de gemachtigde van appellante in hoger beroep heeft gevorderd, uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden.
Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x