Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6056
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Is de medische en arbeidskundige grondslag juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3398 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 juni 2004, 03/1597 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Blindenbach, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellant. Het Uwv heeft zich - met kennisgeving - niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was werkzaam als distributiemedewerker toen hij zich op 10 september 2001 ziek meldde met nek- en schouderklachten in verband met een bedrijfsongeval.
Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij de beperkingen van appellant in kaart zijn gebracht, en arbeidskundig onderzoek, waarbij functieduiding met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) plaatsvond, heeft het Uwv bij primair besluit van 10 januari 2003 aan appellant, in aansluiting op het bereiken van het einde van de wachttijd op 8 september 2002, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal blijkens zijn rapport van 28 april 2003 de klachten van appellant uitvoerig besproken. Voorts heeft hij aangegeven welke aanvullende beperkingen voor appellant gelden en een en ander neergelegd in met name een wijziging van de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan en aan de hand van de eveneens gewijzigde arbeidsmogelijkhedenlijst van 13 mei 2003 heeft de bezwaararbeidsdeskundige S. de Waart blijkens zijn rapport van 15 mei 2003 andermaal het CBBS geraadpleegd en ditmaal functies uit zes SBC-codes geselecteerd. Op basis van de middelste van de drie hoogst verlonende SBC-codes berekende De Waart het verlies aan verdiencapaciteit op 2,20%. Vervolgens heeft het Uwv bij zijn besluit van 21 mei 2003 het primaire besluit gehandhaafd.

De rechtbank heeft - kort gezegd - de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 21 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit) onderschreven en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant gewezen op het door appellant gevolgde BLO-onderwijs, op de diverse ziekten en gebreken van appellant en op de door hem aangehaalde conclusie uit het overgelegde rapport van neuropsychologisch onderzoek van appellant op 24 en 31 maart 2004 bij de Gelderse Roos.
Bij zijn verweerschrift heeft het Uwv een rapport van De Waart van 17 april 2003 overgelegd, waarin verslag is gedaan van de bij de voormalig werkgever van appellant ingewonnen informatie. Daaruit kwam naar voren dat appellant dingen snel vergeet, dat hij voortdurend geactiveerd en gestuurd moest worden, dat hij eenvoudige dingen wel zelfstandig leert te doen, dat hij normale omgang had in de groep en dat hij zijn werk als schoonmaker precies en goed deed. Voorts legde het Uwv een rapport van Admiraal van 2 augustus 2004 over waarin is aangegeven dat de in het rapport van de Gelderse Roos beschreven intellectuele en cognitieve beperkingen goed aansluiten op de juist op deze aspecten gewijzigde FML, waarin onder meer tot uitdrukking wordt gebracht dat appellant is aangewezen op eenvoudige, routinematige, stressarme werkzaamheden zonder veel verantwoordelijkheid. Als hieraan is voldaan is er volgens Admiraal geen bezwaar tegen een wat verhoogd handelingstempo.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. In het van de zijde van appellant in hoger beroep aangevoerde heeft de Raad met name geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de visie van Admiraal, dat de gewijzigde FML goed aansluit op de bij het onderzoek van de Gelders Roos gevonden beperkingen, voor onjuist moet worden gehouden en dat de terzake in de rubrieken 1 en 2 van de FML door Admiraal aangegeven aanvullende beperkingen onvoldoende zijn.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad in de eerste plaats, dat gezien ook het arbeidsverleden van appellant het opleidingsniveau 1 in de drie voor de schatting gebruikte functies moet worden geacht niet zijn opleidingsniveau te boven te gaan. De Raad overweegt voorts dat weliswaar in het dossier een rapport is opgenomen omtrent het overleg tussen Admiraal en De Waart omtrent afwijkende functiebelasting, maar dat eerst in hoger beroep in het op 20 juni 2005 door het Uwv overgelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk van 17 juni 2005 een uitvoerige nadere motivering betreffende de niet-matchende beoordelingspunten op de FML in het kader van de geduide functies is gegeven. Gelet hierop en in aanmerking genomen de in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716 t/m AR4722) neergelegde zwaardere motiveringseisen ten aanzien van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, welke zijn genomen voor 1 juli 2005, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad is evenwel tevens van oordeel dat in verband met hetgeen hij hierna overweegt de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad heeft geen aanknopingpunten gezien evenbedoelde toelichting op de zogenoemde niet-matchende beoordelingspunten voor onjuist te houden. Wat betreft de in de ter zitting van de Raad van de zijde van appellant uitgesproken pleitnota vermelde aspecten handelingstempo, repetitieve bewegingen en samenwerken in de meeste van de geduide functies wijst de Raad erop dat appellant in de FML niet specifiek beperkt is geacht op deze aspecten. Ten aanzien van het gestelde in de pleitnota inzake het frequent buigen en reiken kan de Raad zich verenigen met hetgeen ter zake is opgemerkt in het in eerste aanleg overgelegde rapport van Admiraal van 10 mei 2003.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x