Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6130
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3789 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 mei 2005, 04/2136 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en enkele vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006. Daar is appellant verschenen en heeft het Uwv zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft het Uwv van appellant met toepassing van artikel 57, eerste lid, van de WAO een bedrag van Ä 8.682,91 van appellant teruggevorderd op de grond dat een gedeelte van uitkering over de periode van 20 januari 2003 tot en met 31 juli 2004 onverschuldigd aan hem is betaald. Het namens appellant hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 november 2004 ongegrond verklaard. Voorafgaand aan dit besluit is door een bezwaarverzekeringsarts een onderzoek ingesteld naar aanleiding van de door appellant in bezwaar overgelegde verklaring van 7 september 2004 van de psychiater L.A.M. Winters. In het besluit op bezwaar heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat hij verplicht is het onverschuldigd aan appellant betaalde bedrag terug te vorderen, behoudens in geval van dringende redenen. Het Uwv ziet op grond van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het besluit van 17 november 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft eerst vastgesteld dat de terugvordering op zichzelf en de hoogte van het terug te vorderen bedrag in de onderhavige procedure geen onderwerp van geschil zijn, en dat de beroepsgronden van appellant betrekking hebben op de zorgvuldigheid van de heroverweging en de vraag of sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De rechtbank kwam vervolgens tot het oordeel dat er geen reden is om de heroverweging dan wel de totstandkoming van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig of onvolledig te achten, en dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen opleveren die de terugvordering van de te veel ontvangen uitkering ontoelaatbaar maken. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de brief van psychiater Winters er ten onrechte van uitgaat dat de terugvordering onmiddellijke consequenties heeft voor de financiŽle positie van appellant, omdat het Uwv niet alleen te kennen heeft gegeven vooralsnog niet tot invordering over te gaan, maar tevens dat appellant na verloop van een aantal jaren zonder aflossingscapaciteit een verzoek tot kwijtschelding kan indienen.
In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden. Primair voert hij aan dat wel degelijk sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Voorts stelt appellant dat het Uwv in het kader van de verstrekking van zijn uitkering veel fouten heeft gemaakt waarvan hij financiŽle en sociale schade heeft ondervonden. Tot slot verzoekt hij het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade en van de kosten van rechtsbijstand.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In de eerste plaats stelt de Raad evenals de rechtbank vast dat appellant in (hoger) beroep niet heeft betwist dat aan hem onverschuldigd uitkering ingevolge de WAO is betaald en dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag evenmin ter discussie staat.

Appellant heeft er terecht op gewezen dat het feit dat hem te veel uitkering is betaald het gevolg is van een door het Uwv gemaakte fout bij de invoering van het dagloon waarnaar zijn WAO-uitkering wordt berekend. Deze administratieve fout heeft ertoe geleid dat aan appellant in de periode van 20 januari 2003 tot en met 31 juli 2004 tot een te hoog bedrag is uitgekeerd. In het verlengde hiervan is op de aan appellant toegezonden specificaties van de aan hem te betalen uitkering eveneens een foutief bedrag vermeld. Een en ander neemt echter niet weg dat het Uwv, ook indien de onverschuldigde betaling het gevolg is van door het Uwv gemaakte fouten, op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO gehouden is het bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen.

Met betrekking tot de vraag of zich in het geval van appellant dringende redenen voordoen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO, op grond waarvan aan het Uwv de bevoegdheid toekomt om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, overweegt de Raad het volgende.

Zoals in de aangevallen uitspraak is overwogen, kunnen naar vaste jurisprudentie van de Raad dringende redenen als bedoeld in voornoemde bepaling slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiŽle gevolgen die een terugvordering van de verzekerde heeft. Fouten van een bestuursorgaan kunnen geen dringende redenen opleveren, omdat deze omstandigheden zien op de oorzaak en niet op de gevolgen die de terugvordering voor een verzekerde heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De Raad is evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de in dit verband door appellant naar voren gebrachte omstandigheden geen dringende redenen opleveren als hiervoor bedoeld. Hij verwijst in dit verband naar de overwegingen van de rechtbank hierover, welke hij onderschrijft.

De Raad merkt ten slotte op dat hem in het kader van het thans aan de orde zijnde hoger beroep geen oordeel toekomt over de volgens appellant door het Uwv gemaakte fouten, voorzover zij geen verband houden met het aan dit geschil ten grondslag liggende terugvorderingsbesluit.

Nu het hoger beroep niet slaagt, kan er evenmin plaats zijn voor veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x