Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6230
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid voor de maatmanfunctie. Is voldoende rekening gehouden met de psychische klachten?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4619 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 juli 2004, 03/1610 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van A.A.J.M. Kamp van 18 oktober 2004.

Bij brief van 8 juni 2005 heeft de Raad het Uwv verzocht om aan te geven of zijn uitspraken van 9 november 2004, (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) aanleiding geven om in de onderhavige zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op het bestreden besluit in te sturen. Het Uwv heeft bij brief van 14 oktober 2005 op de hiervoor genoemde brief gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellante is in persoon verschenen, vergezeld door haar dochter. Het Uwv heeft zich -met voorafgaand bericht- niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante was laatstelijk werkzaam als docente bij [naam opleidingen] Opleidingen toen zij op 9 februari 2001 uitviel met psychische klachten en latere neurologische klachten. In aansluiting op de daarvoor geldende wachttijd ontving appellante vanaf 8 februari 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In verband met de eerstejaars herbeoordeling heeft de verzekeringsarts M.A.J. Haentjens op 18 november 2002 appellante onderzocht en in zijn rapport van dezelfde datum aangegeven dat er nauwelijks fysieke beperkingen zijn, enkel nog ten aanzien van zware nekbelasting. Tevens is geconcludeerd dat de medisch-psychische situatie sterk is verbeterd. Enkele niettemin nog door Haentjens vastgestelde geringe psychische beperkingen legde hij vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Met betrekking tot de beperking ďverdelen van aandachtĒ gaf de bezwaarverzekeringsarts nadien nog een nadere nuancering. Door de arbeidsdeskundigen A.M.A. Dreessen en P.B.M. Bork is vervolgens geconcludeerd dat hoewel appellante beperkingen heeft, deze beperkingen niet leiden tot knelpunten bij het uitoefenen van de maatmanfunctie. Appellante is volgens de arbeidsdeskundigen niet langer ongeschikt te achten voor de maatmanfunctie. Bij besluit van 28 februari 2003 deelde het Uwv appellante onder andere mede dat haar WAO-uitkering na eerdere verlagingen in verband met geleidelijke werkhervatting met ingang van 3 maart 2003 wordt beŽindigd omdat appellante weer geschikt werd geacht voor het soortgelijke werk als zij voorheen had verricht. Appellante werd om die reden niet langer arbeidsongeschikt geacht. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat zij, uitgaande van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid, de conclusie van de (bezwaar)arbeidsdeskundige dat appellante wederom arbeidsgeschikt dient te worden geacht voor de maatvrouwfunctie (in de volle omvang), dan wel soortgelijk werk onderschrijven. De rechtbank heeft daarbij gezien dat in de arbeidsdeskundige analyse van de functie van docente ook is betrokken dat appellante zich op het item van verdeelde aandacht niet gedurende hele dagen bij haar arbeid kan belasten hetgeen overigens ook niet gevraagd wordt bij de inhoud van het werk van docente zoals dat begrip "verdeelde aandacht" verstaan moet worden. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat nu appellante met ingang van 3 maart 2003 arbeidsgeschikt wordt geacht voor haar maatvrouwfunctie (in volle omvang) dan wel soortgelijk werk, gezegd moet worden dat vanaf die datum er geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank over de beŽindiging van de WAO-uitkering met ingang van 3 maart 2003 niet verenigen en heeft om die reden hoger beroep ingesteld. Zij is van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten. Appellante stelt dat zij bij de instelling waar zij werkzaam is, dat zij gedoseerd lesgeeft in blokken van anderhalf uur en dat de FML niet uitgaat van deze dagindeling.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad merkt allereerst op dat de gestelde terugslag in december 2002 niet nader is onderbouwd met medische gegevens zodat niet gesteld kan worden dat reeds in verband daarmede ernstiger beperkingen aangenomen hadden moeten worden. Tevens zijn er geen aanknopingspunten te ontlenen aan de informatie van de behandelend sector, welke naar het de Raad voorkomt meer ziet op de situatie van appellante eind 2003, dat appellante op de datum in geding ernstiger beperkt was dan door de verzekeringsarts is aangenomen.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante is de Raad met de rechtbank en het Uwv van oordeel dat in redelijkheid van appellante gevergd mocht worden dat zij op de datum in geding haar werkzaamheden als docente volledig ging verrichten.

Hetgeen voor het overige in hoger beroep namens appellante is aangevoerd maar overigens niet is onderbouwd met nadere gegevens, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x