Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6355
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering per einde wachttijd. Overschrijden de geduide functies de vastgestelde belastbaarheid?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4487 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juli 2004, 03/4006 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellante is verschenen bij gemachtigde Van Es, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster wasserij en is op 29 januari 2001 voor haar werkzaamheden uitgevallen wegens griep en schouderklachten.

Op 5 februari 2002 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts J.B. Tuinhof de Moed, die op 6 februari een rapport heeft uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat de klachten van appellante gelegen zijn in overbelasting bij geringe lichaamslengte bij een niet aangepaste werkplek, maar dat wel sprake is van duurzame benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid. Tuinhof de Moed heeft geconcludeerd dat de voor appellante vastgestelde mogelijkheden en beperkingen zoals vastgelegd in het Functie Informatie Systeem (FIS) van 20 juni 2001 onverminderd van toepassing blijven. Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige A. Kalsbeek functies geselecteerd. In het door Kalsbeek op 13 maart 2002 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op nihil moet worden gesteld zodat appellante ingedeeld dient te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15%. Bij besluit van 16 april 2002 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 28 januari 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts drs. J.W.R. Dijkstra op 26 juni 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat de primaire beslissing op logische en consistente wijze tot stand is gekomen en dat in bezwaar geen feitelijke nieuwe gegevens naar voren zijn gebracht zodat de primaire beslissing medisch gezien in stand kan blijven. De bezwaararbeidsdeskundige J.P.M. Optekamp-van Kaam heeft geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid evenals bij de primaire beslissing, minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 14 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank onderschreef de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de geduide functies passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon. Verder is de rechtbank van oordeel dat appellante met het vervullen van die functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatmanloon het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.

Hetgeen appellante in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak naar voren heeft gebracht, komt in hoofdzaak neer op een herhaling van de reeds bij de rechtbank aangevoerde en in de aangevallen uitspraak besproken grieven dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat de schatting niet gehandhaafd kan worden vanwege overschrijdingen in de geduide functies. Tevens heeft de gemachtigde verzocht om onderzoek door een onafhankelijk neuroloog.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts Dijkstra in zijn rapport van 26 juni 2003 geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellant, zoals in de primaire fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Tuinhof de Moed, geen juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. Op grond van het vorenstaande is er naar de mening van Dijkstra geen noodzaak tot wijziging van het oordeel van Tuinhof de Moed, die appellante, gezien haar schouderklachten, sterk beperkt acht op de punten trappenlopen, klimmen en klauteren, knielen, kruipen en hurken, geboden werken, kortcyclisch buigen en torderen, gebruik van de nek, reiken, bovenhands werken, tillen, duwen en trekken, dragen, koude en vibratiebelasting.

De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts Dijkstra niet op grond van adequate verzekeringsgeneeskundige motieven heeft geoordeeld dat de belastbaarheid van appellante met het door de verzekeringsarts Tuinhof de Moed vastgestelde FIS niet is overschat. Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO - voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd maar overigens niet is onderbouwd met nadere gegevens, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek. De Raad tekent daarbij nog aan dat de medische informatie, overgelegd in de bezwaarfase en waarop in hoger beroep is gewezen, ook door Dijkstra is beoordeeld.

De arbeidsdeskundige Kalsbeek heeft zes functies als zijnde geschikt voor appellante geselecteerd en daarbij de drie functies met de hoogste loonwaarde als basis gebruikt voor het vaststellen van de theoretische resterende verdiencapaciteit. Als reserve functie is onder andere voorgehouden de functie van pakhuis-, magazijn- en expeditieknecht met fb-code 9714. De bezwaararbeidsdeskundige Optekamp-van Kaam heeft nadat een functie is komen te vervallen een reserve functie bijgeduid. De bezwaararbeidsdeskundige Optekamp-van Kaam heeft de functie printplatenmonteur (fb-code 8538) laten vervallen en daarvoor in de plaats gesteld de functie inpakker (fb-code 9717). Optekamp-van Kaam heeft voorts de functies assemblage medewerkster (fb-code 8463) en strijkster (fb-code 5605) gehandhaafd. In eerste aanleg heeft de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Dekker de functie inpakker laten vervallen en vervangen door de reeds door Kalsbeek in haar rapport vermelde, maar niet door Optekamp-van Kaam gehandhaafde functie van pakhuis-, magazijn- en expeditieknecht. Waar het hier gaat om een schatting bij einde wachttijd, acht de Raad deze werkwijze volgens vaste jurisprudentie, anders dan geoordeeld zou kunnen worden in het geval van een herziening of intrekking, niet ongeoorloofd, zodat het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel niet opgaat.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de bezwaararbeidsdeskundige Dekker blijkens zijn rapportage van 12 januari 2004 uiteindelijk overblijvende functies niet zou kunnen verrichten. Weliswaar komen in de functies relevante markeringen voor bij enkele onderdelen, maar de bezwaarverzekeringsarts Dijkstra heeft in zijn rapportage van 26 juni 2003 gemotiveerd waarom er op diverse onderdelen geen sprake is van overschrijdingen van appellantes belastbaarheid. Tevens hebben bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg en bezwaararbeidsdeskundige Dekker in de rapportage van 12 januari 2004 naar aanleiding van het beroep bij de rechtbank nogmaals de overschrijdingen besproken.

Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Het Uwv heeft derhalve terecht geweigerd om aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht, is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x