Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6378
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de intrekking van de WAO-uitkering juist? Ernstige psychische klachten.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/3701 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 20 juni 2003, 02/270 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 1 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft prof. dr. T.I. Oei, zenuwarts/psychiater te Bilthoven, op 28 april 2006 van verslag en advies gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.G. Koch. Betrokkene werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Bij zijn besluit van 28 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant een eerder besluit van 28 september 2001 gehandhaafd. In dat besluit werd betrokkene onder meer medegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die op grond van dit besluit werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, werd ingetrokken per 29 november 2001 omdat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Betrokkene heeft tegen dit besluit beroep bij de rechtbank ingesteld en daarbij, onder verwijzing naar informatie van 8 februari 2002 van haar behandelend zenuwarts B.J.M. Franssen, aangevoerd dat zij in verband met psychische en fysieke klachten per 29 november 2001 in het geheel niet tot arbeid in staat was.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft zij overwogen dat de oordeelsvorming van appellant onzorgvuldig tot stand is gekomen nu de bezwaarverzekeringsarts niet inhoudelijk is ingegaan op de diagnose en conclusie van Franssen, hem evenmin om een nadere toelichting heeft gevraagd en ook geen aanleiding heeft gezien een andere zenuwarts een nader onderzoek te laten instellen naar de gezondheidstoestand van betrokkene.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van deze uitspraak bestreden. Appellant stelt zich op het standpunt dat de onvoldoende onderbouwde opvatting van Franssen voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding hoefde te vormen om, in afwijking van de Standaard “Communicatie met behandelaars”, opgesteld op 14 januari 1997 door het voormalige Tica, nader contact op te nemen met deze behandelaar. De bezwaarverzekeringsarts beschikte over voldoende onderzoeksgegevens om op verantwoorde wijze een inschatting van de belastbaarheid van betrokkene te maken, aldus appellant.

Het gaat in dit geding om de vraag of het bestreden besluit van appellant in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag evenals de rechtbank ontkennend, zij het op andere gronden.

Wat er ook zij van de door de rechtbank ten aanzien van de besluitvorming van appellant aangenomen onzorgvuldigheid, thans ligt voor het rapport van 28 april 2006 van de door de Raad als deskundige benoemde zenuwarts/psychiater prof. dr. T.I. Oei.
Deze deskundige heeft betrokkene onderzocht, kennis genomen van de gedingstukken, welke medische informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van betrokkene op de in geding zijnde datum en inlichtingen ingewonnen bij de behandelend sector.
Hij komt tot de conclusie dat betrokkene in verband met ernstige klachten van depressieve aard op 29 november 2001 niet tot werken in staat was.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat van de zijde van appellant de conclusie van de deskundige ook ter zitting van de Raad niet is weersproken. De door de deskundige gestelde diagnose wordt voorts gedeeld door de verzekeringsgeneeskundige Briek-Groeneweg - blijkens haar rapport van 10 juli 2001 - en door de voormalige en huidige behandelend psychiaters van betrokkene, B.J.M. Franssen en Y. Güzelcan.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden dient te worden bevestigd. Appellant dient ter zake van de aanspraken van betrokkene een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar zal appellant tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in proceskosten van betrokkene in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322, - voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322, -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C.M. van Laar en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2006.
  
(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x