Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6396
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2009 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te AustraliŽ (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2004, 02/4874 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.A.A. Lelijveld, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 april 2006, waar voor appellant is verschenen mr. Lelijveld voornoemd en waar namens het Uwv is verschenen A. Anandbahadoer.




II. MOTIVERING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Aan de aangevallen uitspraak, waar voor eiser appellant en voor verweerder het Uwv dient te worden gelezen, ontleent de Raad de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

ďEiser meldde zich op 28 augustus 1995 ziek voor zijn werk als schoonmaker bij zijn toenmalige werkgever [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever]). Vanaf 1 september 1995 heeft verweerder aan eiser een uitkering krachtens de Ziektewet uitbetaald. Deze uitkering werd door verweerder bij besluit van 23 oktober 1995 met ingang van 19 oktober 1995 beŽindigd, tegen welk besluit eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Eiser is hierop naar AustraliŽ vertrokken om zijn aldaar wonende ouders te bezoeken.
Op 29 mei 1999 heeft eiser vervolgens bij verweerder een uitkering krachtens de Werkloosheidswet aangevraagd. Deze uitkering werd hem door verweerder geweigerd. In het kader van een daarover gevoerde bezwaarschriftprocedure heeft eiser aangegeven dat hij moeite heeft gehad om werk te vinden in AustraliŽ daar hij last had van depressieve buien. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder besloten de zaak voor te leggen aan een verzekeringsarts, teneinde te laten beoordelen of eiser sedert 19 oktober 1995 als onafgebroken arbeidsongeschikt moet worden beschouwd en dientengevolge in aanmerking dient te worden gebracht voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Op verzoek van verzekeringsarts D.L. Bouwman is eiser vervolgens medisch onderzocht door psychiater W.J. Lubberding en orthopedisch chirurg W.P.C.A. Winia. Na ontvangst van de daartoe uitgebrachte rapportages van respectievelijk 27 september 2000 en 16 oktober 2000, heeft verzekeringsarts J. van Oort een belastbaarheidspatroon ten aanzien van eiser vastgesteld. Blijkens de daartoe opgestelde rapportage van 23 november 2000 is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag daarbij vastgesteld op 1 maart 1996. Met inachtneming van de vastgestelde beperkingen zijn bij het vervolgens ingestelde arbeidskundig onderzoek functies geduid, op basis waarvan eiser met ingang van 1 maart 1997 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Bij brief van 31 januari 2001 heeft de arbeidsdeskundige eiser hieromtrent geÔnformeerd.
Bij besluit van 7 juni 2001 heeft verweerder eiser vervolgens medegedeeld dat hij met ingang van 1 maart 1997 niet in aanmerking wordt gebracht voor een WAO-uitkering, daar hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. De door eiser tegen dit besluit aangevoerde bezwaren, zijn door verweerder bij het thans bestreden besluit van 1 oktober 2002, onder verwijzing naar de daartoe door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige uitgebrachte rapportages, ongegrond verklaard.Ē

Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft het Uwv aangegeven dat de motivering van het besluit van 1 oktober 2002 (hierna: bestreden besluit) dient te worden gewijzigd, in die zin dat het Uwv zich primair op het standpunt stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, omdat hij op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, te weten 1 maart 1996, niet verzekerd was ingevolge de WAO. Gelet op dit nader door het Uwv ingenomen standpunt, ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Omdat naar het oordeel van de rechtbank het Uwv in redelijkheid de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 maart 1996 heeft vastgesteld en appellant op die datum niet verzekerd was voor de WAO, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

Appellant is opgekomen tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Namens appellant is in hoger beroep (wederom) aangevoerd dat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, die door het Uwv ten onrechte niet op 28 augustus 1995 is bepaald, wel verzekerd was. Voorts is door appellant naar voren gebracht dat het medische onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat de verzekeringsarts heeft nagelaten de door hem geraadpleegde psychiater Lubberding - die blijkens zijn rapport van oordeel is dat appellant zeker niet belastbaar was - nader te vragen per welke datum hij appellant niet belastbaar acht. Appellant kan zich evenmin verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, bestaande uit psychische en rugklachten.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad merkt allereerst op dat hij zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat - hoewel appellant zich niet goed kan herinneren wanneer zijn dienstverband is geŽindigd - uit de door het Uwv overgelegde stukken naar voren komt dat het dienstverband met [naam werkgever] is beŽindigd per 1 december 1995.

Het Uwv heeft bij het bestreden besluit de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op 1 maart 1996 omdat appellant, nadat hij vanuit Nederland naar AustraliŽ was vertrokken, op die datum wegens psychische klachten in AustraliŽ in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen.

De Raad is van oordeel dat de vaststelling van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende eerste arbeidsongeschiktheidsdag onvoldoende is onderbouwd en dat het hierop gerichte (medische) onderzoek niet zorgvuldig is geweest.

Gelet op de van de zijde van appellant verstrekte gegevens, waaruit (onder meer) naar voren komt dat appellant als slachtoffer van de Bijlmerramp in 1992 in aanmerking is gebracht voor uitkeringen van het Hulpfonds Bijlmerramp en psychische klachten had ontwikkeld, komt het de Raad niet onaannemelijk voor dat appellant al geruime tijd voor 1 maart 1996 (ernstige) psychische problemen had. Nu bovendien door appellant medische verklaringen zijn ingebracht waaruit blijkt dat appellant zich (ook in AustraliŽ) voor die klachten reeds voor 1 maart 1996 onder specialistische behandeling had gesteld, had het op de weg van de verzekeringsarts gelegen zich tot psychiater Lubberding te wenden met de vraag per welke datum hij appellant niet meer belastbaar acht voor loonvormende arbeid, en had hij dienen te beoordelen of appellant wellicht sedert 19 oktober 1995 als onafgebroken arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.

Aldus komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv nader onderzoek heeft te doen naar het tijdstip waarop intrede van arbeidsongeschiktheid van appellant aannemelijk is te achten.

De Raad wijst er in dit verband nog op dat de hersteldverklaring in het kader van de Ziektewet niet zonder meer bepalend is voor het antwoord op de vraag wanneer de wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO een aanvang heeft genomen en tot wanneer die wachttijd heeft voortgeduurd.

De Raad merkt ten slotte nog op dat de eis van verzekering alleen wordt gesteld bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid en niet gedurende de wachttijd of na afloop daarvan.

De aangevallen uitspraak komt, voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 644,- voor verleende rechtsbijstand.

Het Uwv dient tevens het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank heeft in het niet aangevochten deel van de aangevallen uitspraak reeds beslist over de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verstaat dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde recht van Ä 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2006.

(get.) H.J. Simon.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x