Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6402
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Medische en arbeidskundige beoordeling. In hoger beroep is de ontbrekende onderbouwing alsnog gegeven.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3822 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 juni 2004, 03/1319 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2006.
Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.




II. OVERWEGINGEN


Appellante was fulltime bloembindster toen zij in 2000 uitviel met vermoeidheid en gewrichtsklachten, waarna later de diagnose fibromyalgie werd gesteld. Per 1 mei 2001 werd haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) geweigerd omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het bezwaar daartegen werd ongegrond verklaard. Op 1 juni 2001 heeft appellante hervat als bloembindster voor 12 uur per week bij een andere werkgever. Daarnaast ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 3 april 2002 meldde appellante zich opnieuw ziek met polsklachten, waarvoor zij werd geopereerd. Bij besluit van 5 mei 2003 heeft het Uwv geweigerd appellante een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij per 2 april 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. In bezwaar heeft appellante, onder overlegging van een brief van 17 juni 2003 van haar behandelend reumatoloog B.A. Masek, aangevoerd dat inmiddels was vastgesteld dat zij aan de ziekte van Sjögren lijdt. Bij besluit van 15 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de door het Uwv verrichte medische en arbeidskundige beoordeling, die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, juist geacht en het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van deze uitspraak bestreden en, evenals in beroep, aangevoerd dat haar belastbaarheid onjuist is vastgesteld en dat zij als gevolg van de pijn- en vermoeidheidsklachten en de reumatische klachten die de ziekte van Sjögren met zich meebrengt, alsmede als gevolg van polsklachten en psychische klachten in het geheel niet belastbaar is met arbeid. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een brief van 19 augustus 2004 van haar huisarts overgelegd alsmede een brief van 10 september 2004 van de forensisch geneeskundige J.F.G.M. Thissen.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts P.Tjen blijkens zijn rapport van 22 juli 2003 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van diezelfde datum geen juiste weergave vormt van de bij appellante ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. In hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen. De Raad overweegt dat Tjen blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante kennis droeg van de brief van 17 juni 2003 van de behandelend reumatoloog Masek en op grond daarvan heeft geconcludeerd dat met name de dynamische en statische belastbaarheid van de cervicale en lumbale wervelkolom meer beperkt zijn dan eerder door de primair verzekeringsarts was aangenomen. Wat betreft de door appellante aangevoerde psychische klachten blijkt dat weliswaar in het voorjaar van 2001 tijdelijk lichte psychische beperkingen voor appellante zijn vastgesteld, maar in het belastbaarheidsprofiel van 23 augustus 2001 zijn deze niet meer opgenomen. Voorts wijst de Raad erop dat appellante bij het onderzoek door de primair verzekeringsarts J.F.M.M. van der Hart op 24 februari 2003 geen psychische klachten heeft aangegeven en dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek geen psychische afwijkingen heeft vastgesteld en dat deze ook niet zijn vastgesteld bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 17 juli 2001. Uit de brief van appellantes huisarts van 19 augustus 2004, waarin wordt gesteld dat appellante in een depressie is beland en daarvoor wordt behandeld, blijkt niet dat appellante ook op de in geding zijnde datum 1 april 2003 al aan een depressie leed. De Raad heeft voorts geen reden tot twijfel aan de ter zitting gedane mededeling van de gemachtigde van het Uwv dat ook deze brief van de huisarts aan de bezwaarverzekeringsarts is voorgelegd, maar dat deze geen aanleiding heeft gezien de psychische belastbaarheid beperkt te achten.

Wat betreft de arbeidskundige beoordeling overweegt de Raad het volgende.

De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is bepaald met behulp van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Ten aanzien van dit systeem heeft de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716 tot en met AR4722) overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten, maar dat er, omdat het systeem een aantal onvolkomenheden bevat, hoge eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij het nemen daarvan aan die eisen is voldaan. In het geval in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een besluit, dat voor 1 juli 2005 is genomen, alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten heeft nog tijdens de bezwaarprocedure in zijn rapportage van 6 augustus 2003 op zichzelf per geduide functie genoegzaam toegelicht dat voldoende afwisseling in zitten, lopen en staan mogelijk is en dat de in de geduide functies voorkomende dynamische en statische belasting van de cervicale en lumbale wervelkolom de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Echter, pas met de brief van het Uwv van 20 juni 2005 naar aanleiding van een vraag van de Raad is duidelijk geworden dat dit het enige niet-matchende punt is geweest. Voorts is ook pas met deze brief begrijpelijk gemaakt waarom de in de functiebelastingen voorkomende signaleringen geen problemen hoeven op te leveren voor appellante. Van de zijde van appellante is een en ander niet weersproken en ook de Raad is de gegeven toelichting voldoende overtuigend voorgekomen.

Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de conclusie dat in hoger beroep alsnog de ontbrekende onderbouwing is gegeven van het bestreden besluit, dat voor 1 juli 2005 is genomen.
Gelet op 's Raads hiervoor samengevat weergegeven oordeel inzake het CBBS moet dit tot de conclusie leiden dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322,00 voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,00 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,00.

De vordering van de kosten van de door de behandelend reumatoloog Masek in eerste aanleg op 17 juni 2003 verstrekte inlichtingen ten bedrage van € 41,80 en van de kosten van de door de huisarts in hoger beroep op 24 augustus 2004 verstrekte inlichtingen ten bedrage van € 35,80 komt voor toewijzing in aanmerking.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 721,60, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C.M. van Laar en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x