Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6406
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering per einde wachttijd. Medische en arbeidskundige beoordeling. CBBS. Hoge eisen aan de motivering. In beroep is de onderbouwing aangevuld. Vernietiging van het bestreden besluit met instandlating van de rechtsgevolgen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4439 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2004, 03/2534 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. N.J.A. Raets, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Budel.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is werkzaam geweest als management trainer en is op 31 december 2001 voor haar werkzaamheden uitgevallen wegens psychische klachten.

Op 4 november 2002 is appellante op spreekuurcontact geweest bij verzekeringsarts C.J. Mein, die op dezelfde datum een rapport heeft uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat de spankracht nog beperkt is, dat appellante gevoelig is voor werkdruk en de nodige stress genereert, maar dat wel sprake is van duurzame benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid. Mein heeft de voor appellante vastgestelde mogelijkheden en beperkingen om in het algemeen gedurende een hele werkdag te functioneren vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 4 november 2002. Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige E. Mansvelt functies geselecteerd. In het door Mansvelt op 10 december 2002 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 14,48% moet worden gesteld zodat appellante ingedeeld dient te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15%. Bij besluit van 19 december 2002 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 30 december 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen op 22 september 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat, door de primaire verzekeringsarts bij het opstellen van de FML, in ruime mate psychische beperkingen van de belastbaarheid zijn gegeven en dat appellante hierin niet is overschat. Bij besluit van 23 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft, gelet op de beschikbare medische gegevens, geen redenen gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante op de datum in geding. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de geduide functies passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellante met het vervullen van die functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatmanloon het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.

Hetgeen appellante in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak naar voren heeft gebracht, komt in hoofdzaak neer op een herhaling van de reeds bij de rechtbank aangevoerde en in de aangevallen uitspraak besproken grieven dat het onderzoek van de verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest en dat appellante door het Uwv niet nader is onderzocht.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts Nasheed-Linssen in haar rapport van 22 september 2003 geaccordeerde FML van appellante, zoals in de primaire fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Mein, geen juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Nasheed-Linssen blijkens haar rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante kennis droeg van de informatie van de huisarts J.A.A. Hertsig van 9 september 2003, waaruit blijkt dat appellante op 30 december 2002 leed aan een burn-out. Deze diagnose is overigens niet onderschreven door Nasheed-Linssen vanwege het ontbreken van het kernsymptoom cynisme. Het gevolg hiervan was dat appellante frequente migraine aanvallen had. Volgens Hertsig is het probleem echter dat appellante teveel op haar schouders neemt, te weinig nee zegt en zich te goed voordoet. Op grond van het vorenstaande is er naar de mening van Nasheed-Linssen geen noodzaak tot wijziging van het oordeel van Mein, die appellante, gezien haar psychische klachten, beperkt acht in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML.

In eerste aanleg is namens appellante een brief van de psycholoog drs. L.A. Vinkenborg-Le Coultre van 28 oktober 2003 overgelegd, waarin deze aangeeft dat appellante met ingang van 2 april 2002 tot 16 juli 2002 bij haar in behandeling is geweest en dat de behandeling in het teken heeft gestaan van rouw- en verliesverwerking. Tevens is aangegeven door de psycholoog dat appellante zich recentelijk weer bij haar heeft aangemeld en dat er sprake is van een milde depressie. De Raad merkt ten aanzien van deze brief op dat hij hierin, evenals de rechtbank, geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat op de datum in geding van verdergaande psychische beperkingen zou moeten worden uitgegaan. In hoger beroep is namens appellante een brief van haar huisarts Hertsig van 25 augustus 2004 in het geding gebracht, waarin deze onder meer concludeert dat appellante op grond van haar ernstige depressie niet in staat is om fulltime arbeid te verrichten. De Raad merkt ten aanzien van deze brief op dat de aanvankelijke informatie van de huisarts Hertsig en de psycholoog Vinkenborg-Le Coultre een aanzienlijk minder ernstig beeld schetsten en hieruit geenszins kan worden afgeleid dat de beperkingen zijn onderschat. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat zowel de brief van de huisarts van 25 augustus 2004 als de daarbij gevoegde brief van psycholoog A. Coehorst van de Gelderse Roos te Arnhem van 17 juni 2004, waarin aangegeven is dat appellante intern is verwezen ter behandeling van een stemmingsstoornis niet ziet op de datum in geding.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellante voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Weliswaar komen er in de functies verkoper groothandel (Sbc-code 317012), schadecorrespondent (Sbc-code 516080) en bode-bezorger (Sbc-code 315140), niet-matchende punten voor bij een aantal onderdelen, maar de bezwaararbeidsdeskundige Saris heeft op 4 mei 2004 - naar het oordeel van de Raad met juistheid - geconcludeerd dat deze functies, zij het met uitzondering van de functie schadebehandelaar (1 functie Sbc-code 516080) en medewerker postleesgroep (1 functie Sbc-code 315140), binnen de medische mogelijkheden van appellante blijven.

De aan de schatting ten grondslag gelegde functies kunnen naar het oordeel van de Raad als passend worden aangemerkt. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Het Uwv heeft derhalve terecht geweigerd om aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen.

De in dit geding aan de orde zijnde schatting is uitgevoerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, heeft de Raad overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad heeft voorts overwogen dat vanwege de hem gebleken onvolkomenheden van het CBBS uiterlijk bij het besluit op bezwaar de schatting dient te zijn voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en motivering, dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. In reeds lopende zaken, waarin aan laatstvermelde eis niet is voldaan, dient het bestreden besluit in beginsel te worden vernietigd. Indien het Uwv het besluit in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep alsnog voorziet van de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of motivering, kan er aanleiding zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.
De Raad stelt vast dat het in eerste aanleg overgelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris van 4 mei 2004 voldoende inzichtelijk maakt dat en waarom de voor appellante geselecteerde functies - met uitzondering van de 2 hiervoor vermelde functies - door haar kunnen worden vervuld. Het gaat hierbij om functies die eenvoudig gestructureerde, routinematige arbeid betreffen met een duidelijke taakopdracht en een duidelijke taakverwachting. Het gaat om werk wat appellante gezien haar opleiding en ervaring in staat is te verrichten.

De Raad acht deze eerst in eerste aanleg gegeven nadere arbeidskundige onderbouwing op zichzelf voldoende. Gelet evenwel op 's Raads vorenstaande overwegingen met betrekking tot de motivering van besluiten, tot stand gekomen met behulp van het CBBS, en in aanmerking genomen de datum waarop de beslissing op bezwaar is genomen, dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), doch kunnen de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand worden gelaten.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de beslissing als aangegeven in rubriek III.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 805,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 1.127,-.

Voor andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken. De Raad tekent daarbij aan dat de in het formulier proceskosten, toegezonden door de gemachtigde van appellante op 21 juni 2006, gevorderde vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar moet worden afgewezen omdat dit verzoek niet, zoals artikel 7:15, derde lid, van de Awb voorschrijft, is gedaan voordat op het bezwaar was beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x