Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6587
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Wettelijke rente over de nabetaling. Redelijke termijn na aanmaning.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1949 WAO en 04/7245 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 maart 2003, kenmerk 02/234 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en de Raad een afschrift doen toekomen van het besluit van 15 december 2004.

Namens appellant is bij brieven van 20 december 2004 en 30 december 2004 gereageerd op het besluit van 15 december 2004.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en namens het Uwv is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant werkte laatstelijk bij Volvo Car B.V. te Born. Bij besluit van 7 april 1981 heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op f 131,81.
In dit besluit heeft appellant berust.

Bij brief van 28 november 2000 is namens appellant verzocht om het dagloon alsnog te verhogen en wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling. Bij besluit van 14 maart 2001 heeft het Uwv het WAO-dagloon van appellant per 15 januari 1981 verhoogd tot f 137,99. Bij besluit van 26 oktober 2001 heeft het Uwv het verzoek om vergoeding van wettelijke rente afgewezen. Bij het bestreden besluit van 8 februari 2002 is het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 februari 2002 vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het besluit van 7 april 1981 als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dat appellant als gevolg van dat besluit schade heeft geleden en dat de schuld en causaliteit zijn komen vast te staan. Volgens de rechtbank is het Uwv op 28 november 2000 aangemaand, zodat wettelijke rente verschuldigd is vanaf een redelijke termijn van 14 dagen na die dag.

Bij het besluit van 15 december 2004 heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en aan appellant vanaf 12 december 2000 wettelijke rente toegekend.

Appellant meent primair dat vanaf de datum van toekenning van de WAO-uitkering wettelijke rente verschuldigd is over de nabetaling. Daarbij heeft appellant een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Subsidiair meent appellant dat vanaf 1 januari 1992 wettelijke rente vergoed dient te worden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad merkt het besluit van 15 december 2004 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dat besluit niet is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, dient de Raad dit besluit gelet op artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling te betrekken. De Raad stelt voorts vast dat het besluit van 15 december 2004 geheel in de plaats is getreden van het eerdere besluit op bezwaar van 8 februari 2002, zodat appellant geen belang meer heeft bij een beslissing in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Raad volstaat met een oordeel over het besluit van 15 december 2004.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad geoordeeld dat in een situatie als de onderhavige eerst na -een redelijke termijn na- aanmaning wettelijke rente is verschuldigd. De Raad onderschrijft dat oordeel.

Wat het beroep op het gelijkheidsbeginsel betreft heeft het Uwv ter zitting van de Raad op 2 juni 2005, waar een aantal gedingen van voormalige collega’s van appellant is behandeld, toegegeven dat de toekenning van rente aan de personen die voorkomen op een door appellant overgelegde lijst berust op fouten zonder dat er bewust beleid is gevoerd om wettelijke rente vanaf een datum vóór 1992 te vergoeden. De Raad heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van het Uwv. Gelet ook op het feit dat niet is komen vast te staan dat in meer dan een relatief beperkt aantal gevallen wettelijke rente is vergoed vanaf een datum vóór 1992, acht de Raad het Uwv niet gehouden ook in appellants geval wettelijke rente te vergoeden vanaf een eerdere datum dan de door de rechtbank aangegeven datum.

De dagloonvaststelling heeft plaatsgevonden in 1981. De besluiten die zijn afgegeven vanaf 1 januari 1992 hebben slechts betrekking op de indexering van het in 1981 vastgestelde dagloon, wat (de hoogte van) de dagloonelementen betreft zijn deze besluiten te beschouwen als een vervolg op het onrechtmatig gebleken besluit van 7 april 1981. Dat betekent dat er ook geen grond is om 1 januari 1992 als ingangsdatum voor de wettelijke rente aan te wijzen.

Het voorgaande betekent echter niet dat het besluit van 15 december 2004 in rechte kan standhouden. Ter zitting heeft het Uwv erkend dat een verkeerd rekenprogramma is gebruikt en dat ook is verzuimd rente over rente te vergoeden.

Het beroep tegen het besluit van 15 december 2004 moet dan ook gegrond worden verklaard en dat besluit dient te worden vernietigd.

De Raad ziet hierin tevens aanleiding het Uwv te veroordelen tot betaling van de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 15 december 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2001;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ad € 87,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) C.M.T. Kruls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x