Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6668
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Discrepantie tussen de belastbaarheid en de functiebelastingen. Ondeugdelijke arbeidskundige onderbouwing.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3324 WAO en 04/4856 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 mei 2004, 03/2923 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, voorheen werkzaam in de bouw, is na een periode van arbeidsongeschiktheid wegens rug- en knieklachten, in verband waarmee hij tot 1 oktober 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen, vanaf september 1991 omgeschoold tot inrichtingswerker. Sedert 1 juli 1992 was hij werkzaam als groepsleider bij een instelling voor moeilijk opvoedbare kinderen.
Op 22 april 1997 is appellant uitgevallen met surmenageklachten na een arbeidsconflict. In verband daarmee is hem per 21 april 1998 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij medische herbeoordeling door de arts K.C.M.J. Peeters op 27 december 2001 is de belastbaarheid van appellant ongewijzigd geacht ten opzichte van 1995. Op 14 februari 2002 is appellant onderzocht door verzekeringsarts B.A. Schadron, die vaststelde dat vanwege de knieklachten hurken voor appellant niet mogelijk is - appellant heeft een stijf been - en in verband daarmee op 14 mei 2002 een aangepast nieuw belastbaarheidspatroon opstelde. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige F.J. Flohr na functieselectie de arbeidsongeschiktheidsklasse van appellant berekend op 35 tot 45%. In overeenstemming daarmee heeft het Uwv bij besluit van 1 oktober 2002 de WAO-uitkering van appellant per 11 november 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans heeft na onderzoek, mede op basis van informatie van de behandelend artsen, de door Schadron vastgestelde beperkingen bevestigd, waarna het bezwaar bij besluit van 1 december 2003 (hierna: besluit 1) ongegrond is verklaard.

De rechtbank heeft de medische onderbouwing van besluit 1 akkoord bevonden, maar dit besluit vernietigd vanwege een discrepantie tussen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid en de functiebelastingen van drie van de vier geselecteerde functies en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts zijn bepalingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Het Uwv heeft hangende het hoger beroep uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en op 27 augustus 2004 een nieuw besluit op bezwaar (besluit 2) genomen, waarbij het bezwaar wederom ongegrond is verklaard. De Raad stelt vast dat het Uwv met besluit 2 niet is tegemoetgekomen aan het beroep van appellant. Ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

De Raad ziet in navolging van de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts voor appellant aangenomen medische beperkingen. De vaststelling van deze beperkingen berust op een zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant heeft geen nadere medische informatie overgelegd die aanleiding zou kunnen zijn voor een gewijzigd medisch standpunt. Voor een medische urenbeperking, zoals door appellant bepleit, ziet de Raad in de medische stukken geen aanwijzing. Nu aan besluit 2 dezelfde medische gegevens en rapportages ten grondslag zijn gelegd als aan besluit 1, berust ook besluit 2 op een adequate medische onderbouwing.

De rechtbank heeft besluit 1 vernietigd omdat onvoldoende was komen vast te staan dat appellant met zijn kniebeperking de geselecteerde functies kon vervullen. Het Uww heeft in dit oordeel berust. Vervolgens hebben een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige een nader advies uitgebracht, inhoudend dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn, en heeft het Uwv bij besluit 2 het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.

De Raad stelt vast dat verzekeringsarts Schadron in zijn rapportage van 14 mei 2002 heeft aangegeven dat de knieklachten van appellant zijn toegenomen en vervolgens op het belastbaarheidspatroon van 14 mei 2002 bij het aspect knielen, kruipen en hurken de score 0 heeft aangegeven, hetgeen betekent dat knielen, kruipen en hurken niet mogelijk is. Echter, op de verwoording belastbaarheid belanghebbende van 4 juni 2002 is bij knielen, kruipen en hurken de score 1A aangegeven, hetgeen betekent dat de betrokkene geacht wordt gedurende een half uur per werkdag 5 minuten aaneengesloten te kunnen knielen, kruipen of hurken. Naar het oordeel van de Raad heeft het er alle schijn van dat de primaire arbeidsdeskundige bij de omzetting van het belastbaarheidspatroon naar de verwoording belastbaarheid belanghebbende niet is uitgegaan van het belastbaarheidspatroon van 14 mei 2002 maar van het eerdere belastbaarheidspatroon van 1995. Naar het oordeel van de Raad zouden, uitgaande van de juiste verwoording belastbaarheid, de functies onder de fb-codes 8030, 8535, en 8539, waarvan de verwoordingen functiebelasting op het aspect knielen, kruipen en hurken de score 1A laten zien, niet uit de selectie zijn gekomen en derhalve niet aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.
Dat appellant ter zitting van de rechtbank heeft verklaard wel af en toe iets te kunnen oprapen, maakt dit naar het oordeel van de Raad niet anders.
Gelet op het vorenstaande ontbeert ook besluit 2 een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing en dient dit besluit te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Dit betekent dat het beroep dat mede gericht wordt geacht tegen besluit 2 gegrond is en dat besluit 2 dient te worden vernietigd. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Het ligt thans niet op de weg van de Raad zich over mogelijke schade in de vorm van wettelijke rente over na te betalen WAO-uitkering uit te spreken, nu nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep dat mede gericht wordt geacht tegen besluit 2 gegrond;
Vernietigt besluit 2;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x