Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6679
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Is de medische en arbeidskundige grondslag voldoende?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1846 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 februari 2004, 03-903 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juli 2006, waar partijen niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 28 november 2002 heeft het Uwv aan appellant per 4 augustus 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

Bij besluit van 17 april 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 november 2003 ongegrond verklaard.

Het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat appellant op de in geding zijnde datum van 4 augustus 2002 niet in staat was tot het verrichten van arbeid. Hij disfunctioneerde op alle sociale niveaus en leefde in een isolement. Verwezen wordt naar de in eerste aanleg overlegde, van 2 oktober daterende verklaring van de appellant behandelend arts-psychotherapeut A. Pull welke inhoudt dat er op de datum in geding sprake was een depressieve episode.

De Raad is van oordeel dat de gedingstukken geen grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of anderszins ondeugdelijk is. Evenmin heeft de Raad uit de voorhanden zijnde gedingstukken kunnen afleiden dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft beoordeeld. De Raad overweegt hiertoe dat de verzekeringsarts D. Baartse appellant zelf heeft onderzocht en informatie heeft opgevraagd bij Pull. Baartse heeft bij appellant forse beperkingen geconstateerd die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 september 2002. Bij schrijven van 2 oktober 2002 heeft Pull op verzoek van Baartse gegevens verstrekt. Na bestudering van deze gegevens heeft Baartse geen aanleiding gezien de FML te wijzigen. De bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg heeft appellant op de hoorzitting gezien alsook gesproken en kennis genomen van een nadere verklaring van Pull die, gelezen in samenhang met de in eerste aanleg overlegde verklaring van Pull, strekt tot volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden op de datum in geding. Ruitenberg heeft zich vervolgens geheel kunnen verenigen met de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde forse beperkingen, waaronder met name een beperking tot en met vier uren per dag. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de medische component van de zaak geen relevante gebreken vertoont.

Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft naar het oordeel van de Raad geen relevante gebreken. Er zijn voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen geduid die appellant met zijn opleiding en belastbaarheid moet kunnen vervullen.

Gelet op het bovenstaande kan het hoger beroep niet slagen, zodat moet worden beslist zoals in rubriek III is vermeld.

De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x