Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6683
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering per einde wachttijd. Berust de schatting op goede gronden?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2175 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 18 maart 2004, 03/420 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juli 2006. Appellant is niet verschenen, het Uwv was vertegenwoordigd door mr. I.M. de Groot.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 5 december 2002 heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid in aansluiting op de wachttijd van 52 weken per 10 december 2002, minder dan 15% bedroeg.

Bij besluit van 17 juni 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2002 ongegrond verklaard.

Het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe dat het Uwv het onderzoek naar de beperkingen van appellant zorgvuldig heeft verricht. De verzekeringsarts M. Strik heeft appellant zelf onderzocht en informatie opgevraagd bij de appellant behandelend orthopedisch chirurg prof. dr. P.M. Rozing en de huisarts. Rozing heeft geen afwijkingen bij appellant kunnen vaststellen. Mede aan de hand van die informatie heeft Strik een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin de belastbaarheid van appellant is weergegeven. Hoewel er geen objectiveerbare beperkingen zijn, heeft Strik appellant enigermate verminderd belastbaar geacht voor met name duwen of trekken, zware lasten hanteren en klimmen.
De bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz heeft appellant op de hoorzitting gezien alsook gesproken en hem aansluitend ook zelf onderzocht, waarmee de bezwaren van appellant tegen Strik zijn ondervangen. Tevens heeft zij de (medische) stukken in het dossier bestudeerd. Zij heeft, nu uit de rapportages van de behandelend sector (waarvan onder andere internist dr. D. ter Winkel, de orthopedisch chirurgen M.P. Teeuwen, R.L. te Slaa en Rozing, reumatoloog P.B.J. de Sonnaville, psycholoog G. Bogaard en de huisarts) niet blijkt van objectiveerbare beperkingen, geen aanleiding gezien de FML aan te passen.

Nu het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant geen tekortkomingen heeft en ook anderszins geen twijfel bestaat aan de juistheid van de vaststelling van de beperkingen, ziet de Raad geen aanleiding het verzoek van appellant een medisch deskundige te benoemen in te willigen.

Er zijn geen arbeidskundige grieven ingediend en de Raad heeft in de arbeidskundige kant van de zaak geen gebreken geconstateerd, zodat de schatting op goede gronden berust en het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep geen doel treft en daaruit komt voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x