Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY6691
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging WAO-uitkering. Juistheid van het medisch oordeel.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1573 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 maart 2004, 02/975 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, thans advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2006. Appellant is in persoon verschenen. Voor het Uwv is verschenen W.R. Bos.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 21 oktober 2002 heeft het Uwv ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 31 augustus 2001 waarbij per 1 november 2001 de aan appellant toegekende, laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer vastgestelde WAO-uitkering is beŽindigd onder overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan bedragen.

Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit van 21 oktober 2002 ongegrond verklaard onder overweging dat de door appellant wat de medische en de arbeidskundige kant van de zaak betreft aangevoerde grieven niet kunnen leiden tot vernietiging van dat besluit.
Wat het medische gedeelte van de schatting betreft (waarop appellants grieven met name waren toegespitst) heeft de rechtbank overwogen dat de rapporten van zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts, bezien vooral tegen de achtergrond van de onderzoeksbevindingen van de door de bezwaarverzekeringsarts ingeschakelde orthopedisch chirurg dr. R. Deutman (met rapport van 24 januari 2002) en zenuwarts C.F.J. Kemperman (met rapport van 15 februari 2002) die beiden tevens gegevens hebben ingewonnen bij de zogeheten behandelende sector, kunnen dienen als grondslag voor de verdere beoordeling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid.
Bij het door appellant in beroep overgelegde rapport van de door hem als externe medisch adviseur ingeschakelde arts D.J. Schakel van 26 november 2003 heeft de rechtbank aangetekend dat het door Schakel niet (nader) gemotiveerd plaatsen van vraagtekens bij de conclusie van Kemperman (die gemotiveerd heeft aangegeven waarom er van een psychische stoornis geen sprake is) dat er geen sprake is van een psychiatrisch gebrek onvoldoende is.
Aangezien de aan appellant voorgehouden functies niet buiten de grenzen van het vastgestelde en gehandhaafde belastbaarheidspatroon vallen (waarbij de rechtbank heeft aangetekend dat, gelet op het niet objectiveerbaar zijn van appellants klachten, op goede gronden de door Kemperman genoemde beperkingen niet aan de beperkingenlijst zijn toegevoegd), heeft de rechtbank ook wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft geen aanleiding tot vernietiging van het besluit van 21 oktober 2002 gezien.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wat de medische kant van de zaak betreft primair ten onrechte niet, althans minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht, subsidiair dat met name gelet op het rapport van Schakel een onderzoek door een onafhankelijke medische deskundige zo niet in de beroepsfase had dienen plaats te vinden dan toch in de hoger beroepsfase alsnog dient plaats te vinden en meer subsidiair dat de aangevallen uitspraak onzorgvuldig is tot stand gekomen, aangezien diverse medische stukken niet in het procesdossier zijn aangetroffen.
Het Uwv heeft wat zijn verweer betreft verwezen naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 mei 2004.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals in beroep ligt thans in hoger beroep ter beantwoording voor de vraag of het besluit van 21 oktober 2002 terecht en op goede gronden is genomen.
De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak bevestigend, onderschrijft de door de rechtbank gehanteerde overwegingen geheel en maakt deze tot de zijne. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Mede op grond van de rapporten van de door de bezwaarverzekeringsarts in de bezwaarfase ingeschakelde externe medische specialisten is niet staande te houden dat de medische beoordeling niet voldoende zorgvuldig is geweest. Uit het rapport van Kemperman is niet af te leiden dat appellant op meer aspecten dan 28D (conflicterende functie-eisen) is beperkt. Bij het door de medisch adviseur van het Uwv becommentariŽerde rapport van Schakel tekent de Raad aan dat Schakel van mening is dat appellant drie van de vijf functies (welke niet zijn voorzien van een asterisk ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid) niet kan vervullen, omdat er bij die functies sprake is van monotoon werk in hoog tempo of conflicthantering, grote verantwoordelijkheid en afbreukrisico. Die mening kan niet worden gedeeld, omdat appellant op die punten niet beperkt is geacht en Schakel in zijn rapport niet heeft aangegeven waarom niettemin op die punten een beperking had moeten worden opgenomen.
Ter zitting van de Raad heeft het Uwv erop gewezen dat in het belastbaarheidspatroon beperkingen zijn opgenomen zonder dat aan de eis van objectivering (als samenhangend met of uiting van ziekte of gebrek) werd voldaan.
Ten aanzien van de door appellant overigens in de hoger beroepsfase overgelegde medische stukken heeft naar het oordeel van de Raad de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 5 mei 2004 afdoende gemotiveerd waarom die stukken niet tot een ander oordeel (kunnen) leiden. De Raad heeft ook niet de twijfel die nodig is om alsnog over te gaan tot het inschakelen van een onafhankelijke medische deskundige.
Het ontbreken van een rapport van psychiater prof. Kuilman, door wie appellant in het verleden (datum onbekend) is gezien, is daarvoor onvoldoende. In de brief van Schakel van 26 november 2003 is dienaangaande vermeld dat appellant zelf niet weet of daarvan toen een rapport is gemaakt.
Dat de door het Uwv ingeschakelde externe specialisten - overigens op instigatie vanwege het Uwv - zijn uitgegaan van 31 augustus 2001 als datum in geding in plaats van 1 november 2001 (zoals vermeld in het primaire besluit van 31 augustus 2001), leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel, nu uit de gedingstukken niet is af te leiden dat zich in de tussenliggende periode relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

Het voorgaande betekent dat appellants hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2006.

(get.) G.J.H. Doornwaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x