Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY7544
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering omdat het verzuim van betrokkene geen verband houdt met ziekte of gebrek, zodat zij de wachttijd voor de WAO niet heeft vervuld.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/5824 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 november 2003, 02/1134 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J. de Vet, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 20 april 2006 heeft de psychiater G. Nabarro desgevraagd van verslag en advies gediend.

Het Uwv heeft op 9 mei 2006 een reactie op dit schrijven ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2006. Appellante is - zoals tevoren was bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als dienstverlener bij de gemeente Nijmegen. Na enkele perioden van ziekte heeft zij verlof gekregen om een opleiding te volgen. Op 10 januari 2000 heeft appellante zich in verband met psychische klachten ziek gemeld.

Op verzoek van de verzekeringsarts J.P.M. Janssen is appellante onderzocht door de psychiater J.D.J. Tilanus. Deze heeft op 12 juni 2001 een rapport uitgebracht, waarin hij tot het oordeel komt dat bij appellante sprake is van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, doch dat deze niet valt aan te merken als psychiatrisch syndroom. Naar het oordeel van Tilanus is bij appellante geen sprake van een ziekte of gebrek op het vakgebied van de psychiatrie die haar belemmert om gangbare arbeid te verrichten.

Bij besluit van 20 juni 2001 heeft het Uwv appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, onder overweging dat haar verzuim geen verband houdt met ziekte of gebrek, zodat zij de wachttijd voor de WAO niet heeft vervuld.

Bij het bestreden besluit van 29 april 2002 heeft het Uwv zijn besluit van 20 juni 2001 na bezwaar gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts na bestudering van alle medische gegevens van oordeel was dat er geen redenen zijn om objectief medische beperkingen als uiting van ziekte of gebrek aan te nemen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hangende de beroepsprocedure is zij op haar verzoek onderzocht door de psychiater N.J. de Mooij. In zijn rapport van 18 april 2003 is deze psychiater tot het oordeel gekomen dat bij appellante sprake is (en op de datum in geding was) van een als psychiatrische stoornis aan te merken chronisch burn-outsyndroom met depressieve kenmerken en bij periodes van een vitale depressie. Voorts geeft deze psychiater aan dat de spankracht van appellante zeer gering is, zowel energetisch als psychisch en dat zij naar zijn oordeel als volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Loonvormende arbeid zal naar zijn inzicht verdere psychische decompensatie tot gevolg hebben. Nadat van de zijde van het Uwv op dit rapport was gereageerd, heeft appellantes gemachtigde nog een nader rapport van 20 juli 2003 van de psychiater De Mooij aan de rechtbank doen toekomen, waarop door het Uwv weer een reactie is gegeven.

De rechtbank heeft appellantes beroep ongegrond verklaard. Zij heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van de psychiater Tilanus, gelet op het uitgebreide en gedegen onderzoek van deze deskundige.

De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen. Naar zijn oordeel heeft de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis gehecht aan het rapport van de psychiater Tilanus onder overweging dat diens onderzoek uitgebreid en gedegen was. De rechtbank ziet er hiermee aan voorbij dat het hier een partijdeskundige betreft, tegenover wiens rapport een rapport van een partijdeskundige van appellante was gesteld waaraan evenzeer een uitgebreid en gedegen onderzoek ten grondslag lag. In een situatie als deze, waarin de conclusies van twee partijdeskundigen tegenover elkaar staan en niet op inhoudelijke gronden valt aan te geven waarom aan de bevindingen van één van hen meer overtuigingskracht toekomt - de rechtbank heeft hieraan geen overwegingen gewijd - is het aangewezen dat de rechter zelf een deskundige inschakelt.

De Raad heeft op deze grond de deskundige Nabarro verzocht appellante te onderzoeken en van verslag en advies te dienen. In zijn (samen met de psychiater in opleiding M.G.H. Guiot opgestelde) rapport van 20 april 2006 komt deze deskundige tot het oordeel dat appellante op 30 januari 2001 ten gevolge van haar psychiatrische problematiek gedurende 52 weken ongeschikt was om arbeid te verrichten. Voorts geeft hij aan welke beperkingen voor appellante op 30 januari 2001 van kracht waren.

De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van de deskundige Nabarro. Hij overweegt daartoe dat het hier een onafhankelijke en onpartijdige deskundige betreft, die op basis van zijn eigen bevindingen bij onderzoek van appellante en van alle beschikbare medische gegevens - waaronder de expertises van de psychiaters Tilanus en De Mooij, de informatie van appellantes behandelend psychiater dr. G.P.M. Assen en de rapporten van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen - tot een afgewogen oordeel is gekomen, waarbij zijn conclusies op heldere wijze uit zijn overwegingen voortvloeien. De Raad neemt daarbij voorts in aanmerking dat de deskundige Nabarro op consistente wijze heeft onderbouwd op welke gronden zijn oordeel afwijkt van dat van de psychiater Tilanus.

Het vorenstaande voert de Raad tot het oordeel dat het Uwv er ten onrechte van is uitgegaan dat voor appellante geen op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen van kracht waren en dat zij de wachttijd niet heeft vervuld. Hieruit vloeit voort dat appellantes beroep tegen het bestreden besluit gegrond dient te worden verklaard en dat besluit moet worden vernietigd. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moet worden vernietigd.

Naar aanleiding van het verzoek van appellantes gemachtigde om haar een schadevergoeding ten laste van het Uwv toe te kennen, overweegt de Raad dat het Uwv opnieuw op appellantes bezwaar zal moeten beslissen en dat uit het vorenstaande niet zonder meer voortvloeit hoe dat besluit zal luiden. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken. Appellantes verzoek kan derhalve niet worden toegewezen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand, € 525,- voor de inschakeling van een deskundige en € 141,45 aan reiskosten in hoger beroep, tezamen € 1.310,45.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.310,45, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2006.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x