Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY7547
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De weigering om de pensionkostentoeslag in aanmerking te nemen bij de berekening van het dagloon is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3486 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 mei 2004, kenmerk 03/122 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant werkte laatstelijk bij Volvo Car B.V. te Born. Bij besluit van 18 september 1984 heeft het Uwv met ingang van 6 augustus 1984 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op f 134,24. In dit besluit heeft appellant berust.

Bij brief van 29 juni 2001 is namens appellant verzocht om het dagloon alsnog te verhogen, waarbij is aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de reiskostenvergoeding voor een jaarlijkse vakantiereis naar het land van herkomst, zes extra reisdagen en extra vakantieverlof.

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft het Uwv het WAO-dagloon van appellant met terugwerkende kracht verhoogd tot € 66,56. Hierbij is rekening gehouden met een reiskostenvergoeding ad € 457,41 per jaar. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de pensionkostentoeslag, zes extra reisdagen, extra vakantiedagen, CAO-toeslag, TIN-toeslag, overwerktoeslag en dat over de bijgetelde vergoeding vakantietoeslag moet worden berekend. Bij het bestreden besluit van 16 januari 2003 is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt ten aanzien van de zes extra reisdagen en CAO-toeslag herhaald. Ook bestrijdt appellant de overweging van de rechtbank dat in de SAO-toeslag de TIN-toeslag en vuilwerktoeslag zijn inbegrepen. De weigering pensionkostentoeslag mee te nemen in het dagloon acht appellant in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De Raad overweegt als volgt.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant van 29 juni 2001 is het Uwv teruggekomen van het besluit van 18 september 1984.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN AU0008) is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarnaast brengt het feit dat wordt verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit met zich dat het aan appellant is aan te geven waarom de eerdere besluiten niet juist zouden zijn en van zijn stellingen - uiterlijk in de bezwaarfase - het nodige bewijs te leveren.

Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra reisdagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige collega’s. Het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel wordt daardoor niet groter.

Nu appellant heeft berust in de oorspronkelijke dagloonvaststelling ligt het op zijn weg gegevens aan te dragen waaruit volgt dat de eerdere dagloonvaststelling onjuist is. Hierin is appellant niet geslaagd. Door appellant zijn geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat hij in de referteperiode een CAO-toeslag heeft ontvangen. Ook heeft appellant geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat hij in de referteperiode een TIN-toeslag of vuilwerktoeslag ontving.

Wat appellant echter heeft aangevoerd met betrekking tot de pensionkostentoeslag wordt door de Raad onderschreven. In veel bij de Raad aanhangige zaken van ex-collega’s van appellant is alsnog een pensionkostentoeslag van € 20,95 per vier weken meegenomen in het dagloon. In geen van deze dossiers werd daarvoor een andere voorwaarde gesteld dan dat de echtgenote van de betrokkene in het buitenland woonde. Niet kan worden ingezien waarom ten aanzien van appellant een andere voorwaarde zou moeten gelden. Ook in de onderhavige zaak heeft degene die de ex-werkgever van appellant in oktober 2001 heeft bezocht als voorwaarde voor het verhogen van het dagloon met het bedrag van de pensionkostentoeslag vermeld dat appellant dient te bewijzen dat zijn gezin nog in Tunesië verbleef. Nadat appellant met het oog daarop bij brief van 10 januari 2003 een stuk aan het Uwv had gezonden, is hem tegengeworpen dat niet is gebleken dat hij in de referteperiode in een pension verbleef dan wel dat hij pensionkostenvergoeding heeft ontvangen. Gelet op de in vrijwel alle andere zaken van ex-collega’s van appellant gehanteerde voorwaarde, moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit op dit onderdeel een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert.

Het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd.

De Raad acht tevens termen aanwezig het Uwv te veroordelen tot betaling van de kosten die appellant in verband met het bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 1288,-- in verband met verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat het Uwv met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant, begroot op € 1288,-- en te betalen door het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ad € 133,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) C.M.T. Kruls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x