Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY7618
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het UWV heeft ten onrechte afgezien van het nemen van een inhoudelijke beslissing inzake de aanspraken op een WAO-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/334 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 november 2005, 05/617 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2006. Voor appellante is verschenen mr. K.J. Smith, kantoorgenoot van mr. De Leest. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door M. Florijn.




II. OVERWEGINGEN


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en het Uwv als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
  
"Eiseres is op 20 oktober 1995 uitgevallen voor haar functie als begeleider bij de Willem Arntsz Hoeve. Op 21 mei 1996 heeft eiseres een vragenlijst Werk en Opleiding ingevuld en toegezonden aan BVG Uitvoeringsorgaan Sociale Verzekeringswetten (hierna: BVG) in verband met een daarop volgend gesprek over haar arbeidsongeschiktheid. Op 22 mei wordt eiseres op het spreekuur van BVG verzekeringsarts R. Foekens gezien, die eiseres ongeschikt acht voor haar eigen werk en de belastbaarheid van eiseres weergeeft in een Functie Informatie Systeem formulier van gelijke datum.
Nadat eiseres op 24 juli 1996 op het spreekuur van een arbeidsdeskundige van BVG is gezien, heeft arbeidsdeskundige D. Schouten op 29 juli 1996 een rapportage opgesteld, waarbij is geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 15% bedraagt.
Een medisch vervolgonderzoek heeft plaats op 12 augustus 1996, waarvan de conclusie van de verzekeringsarts R. Foekens luidt dat er geen reden is om tot een andere inschatting van de belastbaarheid te komen dan bij het vorige onderzoek.
Een handgeschreven aantekening op deze rapportage vermeldt dat er telefonisch overleg is geweest met eiseres op 13 augustus 1996, waarbij eiseres zou hebben aangegeven dat zij geen prijs stelt op bemiddeling en noodgedwongen ontslag neemt.
In een rapportage AG/AD (korte versie) van 19 augustus 1996 heeft dezelfde arbeidsdeskundige aangegeven dat uit de gegevens van de medische beoordeling van 13 augustus blijkt dat eiseres ongewijzigd belastbaar is, waardoor de arbeidsongeschiktheidsschatting van 24 juli 1996 ongewijzigd minder dan 15% per einde wachttijd (18 oktober 1996) bedraagt.
Blijkens een telefoonnotitie van 3 september 1996 is door M.K. Brouwer gebeld met eiseres, met de vraag of zij de aanvraag heeft opgestuurd. Eiseres zou gezegd hebben dat zij dat niet heeft gedaan, omdat zij toch niet in aanmerking komt voor een uitkering. Zij zal zich nog beraden om een aanvraag te doen.
Bij schrijven van 20 april 2001 bevestigt neuroloog W. van Pelt aan huisarts I.C. Borstlap de bij eiseres de bij eiseres gestelde diagnose narcolepsie. Deze diagnose wordt door neuroloog Dr. R.L.M. Strijers bij brief van 12 maart 2003 bevestigt aan neuroloog W. van Pelt.
Op 19 mei 2003 dient eiseres een herzieningsverzoek in bij verweerder. Bij beschikking van 6 juli 2004 wijst verweerder het verzoek af op de primaire grond dat het verzoek niet ontvankelijk is, omdat er in 1996 geen beschikking is afgegeven aangezien er geen aanvraag is ingediend. Subsidiair legt verweerder aan het besluit ten grondslag dat er na beoordeling door verzekeringsarts geen nieuwe feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die een heroverweging zouden rechtvaardigen. Bij beslissing op bezwaar van 25 augustus 2004 wordt het bezwaar tegen de beschikking van 6 juli 2004 ongegrond verklaard, omdat er geen beslissing is verzonden over de afwijzing van een WAO-uitkering."

Daaraan voegt de Raad het volgende toe.

Appellante heeft tegen evenvermelde beslissing op bezwaar van 25 augustus 2004 geen beroep ingesteld. Wel heeft zij het Uwv bij een door haar op 5 september 2004 ondertekend formulier (alsnog) verzocht om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO ter zake van een gestelde na 17 oktober 1996 bestaande arbeidsongeschiktheid.

Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft het Uwv, in reactie op deze uitkeringsaanvraag, beslist dat appellante geen recht kan doen gelden op een WAO-uitkering. Ter motivering heeft het Uwv primair aangevoerd dat appellante de uitkeringsaanvraag te laat heeft ingediend, terwijl een van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering is dat de uitkeringsaanvraag tijdig moet zijn ingediend. Subsidiair heeft het Uwv aangegeven dat, indien appellante wel tijdig een aanvraag zou hebben gedaan, zij per 18 oktober 1996 geschikt zou zijn bevonden voor passend werk.

In bezwaar tegen evenvermeld besluit is namens appellante aangevoerd dat op grond van artikel 34, achtste lid (thans: zesde lid), van de WAO het Uwv bevoegd is om de uitkering ambtshalve toe te kennen indien de toepassing van het derde lid leidt tot kennelijke hardheid. Zij meent dat in haar geval van een dergelijke kennelijke hardheid sprake is. In dit verband is van de zijde van appellante in het bijzonder naar voren gebracht dat zij reeds tijdens de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid in 1996 de klachten had die eerst naderhand, in april 2001, zijn gediagnosticeerd als berustend op narcolepsie en dat zij, zo zij zulks toentertijd zou hebben geweten, niet zou hebben afgezien van het doen van een uitkeringsaanvraag.

Bij besluit van 31 januari 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 12 oktober 2004 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd. Hierbij is onder meer in aanmerking genomen dat appellante in 1996 bewust ervoor heeft gekozen om geen uitkering aan te vragen en dat daarom, daarbij met name ook gelet op de ratio van de betreffende bepaling - te weten: het tegen zichzelf in bescherming nemen van mensen die als gevolg van hun ziekte geen uitkering willen of kunnen aanvragen en in zoverre als wilsonbekwaam moeten worden aangemerkt - appellante niet kan worden gevolgd in haar zienswijze dat in haar geval sprake is van kennelijke hardheid als bedoeld in het zesde lid van artikel 34 van de WAO.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij, samengevat weergegeven, laten wegen dat appellante in 1996 om haar moverende redenen ervoor heeft gekozen af te zien van het indienen van een aanvraag. De later in 2001 gestelde diagnose narcolepsie brengt, aldus de rechtbank, niet mee dat de keuze om in 1996 af te zien van een aanvraag thans zou moeten worden gezien als voortkomend uit wilsonbekwaamheid. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat ten onrechte door het Uwv geen kennelijke hardheid is aangenomen.

In hoger beroep houdt appellante haar grieven staande. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, overweegt de Raad als volgt.

Appellante beoogt met haar hiervoor uiteengezette stellingname inzake de aanwezigheid van een kennelijke hardheid als bedoeld in artikel 34, zesde lid, van de WAO, zoals ter zitting door haar raadsvrouw is bevestigd, een oordeel te verkrijgen met betrekking tot de gang van zaken rond de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid in 1996. In het bijzonder wenst zij in rechte bevestigd te zien haar opvatting dat in verband met kennelijke hardheid in vorenbedoelde zin, het Uwv met voorbijzien aan haar keuze om geen uitkering aan te vragen destijds ambtshalve had moeten overgaan tot het toekennen van uitkering, althans, zo begrijpt de Raad, in elk geval ambtshalve had moeten overgaan tot het nemen van een beslissing omtrent haar aanspraken op uitkering.

Mede uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat vorenomschreven benadering van appellante uitsluitend is ingegeven door de gedachte dat de weg via “kennelijke hardheid”, de enige mogelijkheid is die haar nog rest om een inhoudelijk standpunt te verkrijgen omtrent haar aanspraken op een uitkering per 18 oktober 1996, zulks gegeven het standpunt van het Uwv dat reeds het enkele feit van een te late - namelijk eerst op 5 september 2004 ingediende - aanvraag in de weg staat aan het verlenen van uitkering, dan wel aan het in behandeling nemen van die aanvraag.

De Raad is van oordeel dat evenvermeld standpunt van het Uwv onjuist is en dat derhalve het Uwv, om andere reden dan voorgestaan door appellante, ten onrechte heeft afgezien van het nemen van een inhoudelijke beslissing inzake haar aanspraken op uitkering. Reeds hierom en mede in aanmerking genomen dat van de zijde van appellante desgevraagd ter zitting daarmee expliciet is ingestemd, komt de Raad, anders dan de rechtbank, niet toe aan een beoordeling of al dan niet door het Uwv terecht het standpunt is ingenomen dat van een kennelijke hardheid in meergenoemde zin geen sprake is.

Geconstateerd moet worden dat appellante, als hiervoor vermeld, in 2004 alsnog is overgegaan tot het indienen van de uitkeringsaanvraag waarvan zij in 1996 had afgezien. De reactie van het Uwv op die aanvraag dient als rechtens onjuist te worden verworpen. Anders dan waarvan - kennelijk - het Uwv bij de bestreden besluitvorming is uitgegaan, bevat de WAO namelijk geen bepalingen op grond waarvan het mogelijk is uitkering te weigeren, dan wel een verzoek tot het verlenen van uitkering niet in behandeling te nemen, op de enkele grond dat de uitkeringsaanvraag te laat is ingediend. Ook een te laat uitkeringsverzoek dient inhoudelijk in behandeling te worden genomen en te worden beoordeeld. Voor het geval een dergelijke beoordeling ertoe zou leiden dat recht bestaat op uitkering, bevat het tweede lid van artikel 35 van de WAO een regeling met betrekking tot de aan die uitkering te verlenen terugwerkende kracht, aldus dat de uitkering, in afwijking van de in het eerste lid gegeven hoofdregel, in beginsel - bijzondere gevallen daargelaten - met een terugwerkende kracht van ten hoogste een jaar kan worden toegekend.

Het Uwv zal dan ook alsnog dienen over te gaan tot het in behandeling nemen van de aanvraag van appellante van 5 september 2004, waarbij de Raad nog opmerkt dat - naar reeds ligt besloten in het vorenoverwogene - het ervoor moet worden gehouden dat zulks, anders dan wellicht met de in het primaire besluit opgenomen subsidiaire grond wordt gesuggereerd, nog niet is gebeurd. Van de zijde van het Uwv is dit, desgevraagd, expliciet bevestigd.

De Raad merkt ter voorlichting van appellante nog op dat het in de rede ligt dat het Uwv bij die beoordeling van appellantes uitkeringsverzoek in belangrijke mate zal (kunnen) varen op de uitkomsten van de in 1996 reeds plaatsgevonden hebbende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling. Daarbij acht de Raad het evenwel tevens in de rede te liggen - en daartoe is namens het Uwv ter zitting de bereidheid uitgesproken - om bij de beoordeling van de medische beperkingen van appellante mede te betrekken de vraag of hetgeen naderhand - in 2001 - is bekend geraakt omtrent de diagnose narcolepsie nog van invloed is op de beperkingen en de arbeidsmogelijkheden zoals deze destijds zijn vastgesteld.

Naar aanleiding van het namens appellante gedane verzoek tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overweegt de Raad dat met het hiervoor overwogene slechts is gegeven dat het Uwv alsnog een inhoudelijke beslissing zal hebben te nemen op het uitkeringsverzoek van appellante. Zo lang die beslissing niet is genomen, is niet bekend of en zo ja in welke omvang sprake is van schade aan de zijde van appellante. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

Wel acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644, - voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288, - , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- (€ 37,- en € 103,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 september 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x