Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY7621
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Vastgestelde beperkingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5205 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2004, 03/2743 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. drs. A.W. Grijseels, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker, verbonden aan de afdeling bezwaar en beroep en M. Maarsen, verzekeringsarts in opleiding.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is in december 1994 wegens diverse klachten, met name klachten van flauwvallen en pijn bij de ademhaling, uitgevallen voor haar in een voltijdse omvang verrichte werkzaamheden als koerier. Met ingang van 5 december 1995 is haar in verband hiermee onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Die uitkering is per 12 september 1996 herzien naar 45 tot 55% en vanaf 29 december 1998 weer vastgesteld op 80 tot 100%.

Bij besluit van 28 maart 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellante met ingang van 28 mei 2003 ingetrokken, daar zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Bij besluit van 1 september 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Appellante is de opvatting toegedaan dat zij als gevolg van het geheel van haar klachten en aandoeningen, waarvan in het bijzonder haar extreme vermoeidheidsklachten - welke zouden samenhangen met de bij haar vastgestelde auto-immuunziekte SLE met secundair een Sjögren-syndroom - niet in staat is tot het verrichten van enige arbeid, derhalve ook niet in staat is tot het vervullen van de haar als passende arbeidsmogelijkheden voorgehouden loondienstfuncties, althans in elk geval niet gedurende een gehele werkweek.

In beroep heeft zij ter ondersteuning van haar grieven een expertiserapport ingebracht van de huisarts J.A.M. Galesloot. Deze arts heeft bevestigd dat appellante lijdende is aan extreme moeheidsklachten met overmatig slapen (12 tot 16 uur per dag) ten gevolge van SLE en medicatiegebruik. Het lijkt hem dat zij niet in staat is tot een volledige werkweek, hooguit tot werken gedurende 2 tot 3 uur per dag.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts van het Uwv, waarbij ook informatie bij de behandelende reumatoloog is ingewonnen, als zorgvuldig kan worden gekenschetst. Voorts heeft de rechtbank in hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van die verzekeringsartsen. In dit verband heeft de rechtbank met name overwogen geen reden te zien om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts in haar reacties op de rapportages van de medisch adviseur Galesloot voor onjuist te houden.

Appellante houdt haar hiervoor weergegeven opvatting in hoger beroep staande.

De Raad heeft in de namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, in essentie neerkomend op een herhaling van de in eerdere fases van de procedure aangevoerde bezwaren, geen aanknopingspunten aangetroffen voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

Uit de beschikbare verzekeringsgeneeskundige gegevens komt naar voren dat de verzekeringsartsen van het Uwv op zich ook rekening hebben gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellante, onder meer door beperkingen aan te nemen ten aanzien van bepaalde fysieke belastingaspecten. Appellante wordt ongeschikt wordt geacht voor fysiek zware arbeid en voor arbeid met stress door deadlines of langdurende belastingpieken. Ook werk in een droge en stoffige omgeving, in verband met de Sjögren, en werk op gevaar opleverende plaatsen is niet geschikt bevonden voor appellante.

Indien met die beperkingen wordt rekening gehouden, is er naar het oordeel van de verzekeringsartsen geen reden om appellante niet voor hele dagen werk geschikt te achten.

De Raad kan zich hiermee verenigen. Met name ook kan de Raad zich in navolging van de rechtbank stellen achter de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op de rapportage van de medisch adviseur Galesloot, welke in het bijzonder hierop neerkomt dat de conclusie van die medisch adviseur dat appellante slechts in een omvang van 2 tot 3 uur per dag zou kunnen werken, onvoldoende wordt gemotiveerd en onvoldoende steun vindt in de beschikbare objectief-medische gegevens.

Er aldus van uitgaande dat ten aanzien van appellante de juiste medische beperkingen in acht zijn genomen, althans dat die beperkingen niet zijn onderschat, is de Raad ten slotte van oordeel dat appellante terecht in staat is geacht tot het vervullen van de functies die als grondslag van de onderhavige schatting zijn gehandhaafd. Met die functies kan appellante een zodanig loon verwerven dat zij per de in geding zijnde datum 28 mei 2003 niet langer voor de toepassing van de WAO in relevante mate arbeidsongeschikt is te achten. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de intrekking van appellantes uitkering per genoemde datum niet voor rechtens juist te houden.

In het bovenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet, zoals namens haar verzocht, het advies van een onafhankelijk deskundige in te winnen.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 september 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x