Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY7820
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is bij de herberekening van het dagloon terecht aangevoerd dat vakantietoeslag moet worden bijgeteld over de reiskostenvergoeding buitenland en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de CAO-toeslag die betrokkene zou hebben ontvangen?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1321 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 januari 2003, 01/978 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant werkte laatstelijk bij Volvo Car B.V. te Born. Bij besluit van 25 juni 1991 heeft het Uwv met ingang van 19 september 1990 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op f 152,72. In dit besluit heeft appellant berust.

Bij brief van 29 december 2000 is namens appellant verzocht om het dagloon alsnog te verhogen, waarbij is aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de pensionkostentoeslag, de reiskostenvergoeding voor een jaarlijkse vakantiereis naar het land van herkomst en zes extra reisdagen.

Bij besluit van 24 april 2001 heeft het Uwv het WAO-dagloon van appellant per 19 september 1990 verhoogd tot f 156,60. Hierbij is rekening gehouden met een reiskostenvergoeding ad f 1008,-- per jaar. In bezwaar heeft appellant onder meer aangevoerd dat met een te laag bedrag aan reiskostenvergoeding buitenland is rekening gehouden. Bij het bestreden besluit van 23 juli 2001 is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat vakantietoeslag moet worden bijgeteld over de reiskostenvergoeding buitenland en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de CAO-toeslag die appellant zou hebben ontvangen.

De Raad overweegt als volgt.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant van 29 december 2000 is het Uwv teruggekomen van het besluit van 25 juni 1991.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN AU0008) is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarnaast brengt het feit dat wordt verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit met zich dat het aan appellant is aan te geven waarom de eerdere besluiten niet juist zouden zijn en van zijn stellingen - uiterlijk in de bezwaarfase - het nodige bewijs te leveren. Op na het besluit op bezwaar aangevoerde nieuwe stellingen kan geen acht worden geslagen, hiermee heeft het Uwv bij het nemen van het besluit op bezwaar immers geen rekening kunnen houden.

Rekening houdend met voorgaande uitgangspunten stelt de Raad vast dat hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de vakantietoeslag over de reiskostenvergoeding en de CAO-toeslag door de Raad niet in zijn overwegingen kan worden meegenomen.

Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra reisdagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige collegaís. Het uit de dienstbetrekking genoten financiŽle voordeel wordt daardoor niet groter.

Met betrekking tot de reiskostenvergoeding verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN AU0013). Ingevolge artikel 14 van de arbeidsovereenkomst van appellant bestond recht op vergoeding van de reiskosten in verband met de jaarlijkse vakantie in TunesiŽ. Het enkele feit dat in het refertejaar de betaling van deze vergoeding toevalligerwijs tweemaal heeft plaatsgevonden doet er niet aan af dat tot het voor appellant rechtens geldende loon slechts de aanspraak op een jaarlijkse vergoeding bestond. Het aan de Dagloonregels ten grondslag liggende dervingsbeginsel verzet zich er ook tegen om de dubbele betaling in aanmerking te nemen.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moeten worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) C.M.T. Kruls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x