Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY7831
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om herziening van een eerder genomen besluit. Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5537 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2004, 03/3825 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2006.
Appellante is niet verschenen.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, die werkzaam is geweest als agrarisch medewerkster, heeft zich op 20 januari 2000 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding hiervan is zij op 5 december 2000 gezien door een verzekeringsarts, die haar ondanks de diverse klachten in staat achtte om lichamelijk niet al te zware, overwegend zittende arbeid te verrichten, waarbij het tempo niet voortdurend verhoogd diende te zijn en niet bij onbeschermde gevaarlijke machines en op hoogte mocht worden gewerkt. Met inachtneming hiervan zijn destijds functies geselecteerd, waarmee appellante een zodanig inkomen kon verdienen dat zij niet als arbeidsongeschikt werd beschouwd.
Bij besluit van 25 januari 2001 is aan appellante meegedeeld dat haar, aansluitend aan de wachttijd van 52 weken, met ingang van 18 januari 2001 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd toegekend.

Bij brief van 3 april 2001 heeft de gemachtigde van appellante aan de rechtsvoorganger van het Uwv verzocht om voormeld besluit van 25 januari 2001 te herzien. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de gemachtigde van appellante aan het Uwv een rapport van 1 mei 2001 van het Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans, overgelegd.

Verzekeringsarts R.L.P. Broeders heeft in een rapport van 20 november 2002 aangegeven dat de inhoud van dat rapport niet aansluit bij het reguliere medisch referentiekader en dat de gerapporteerde bevindingen niet vallen onder algemeen aanvaarde onderzoeksmethoden. Die bevindingen zijn volgens de verzekeringsarts niet vertaalbaar naar functionele mogelijkheden en/of beperkingen en de inhoud van dat rapport heeft dan ook geen invloed op het eerder ingenomen standpunt aangaande de belastbaarheid van appellante.

Bij besluit van 17 december 2002 is voormeld verzoek afgewezen.

In de bezwaarfase heeft de gemachtigde van appellante een rapport van 2 juni 2003 van mevr. Verhage, directrice van voormeld instituut, overgelegd, met als bijlage een journaal van de huisarts van appellante van 18 maart 2003.

Bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma heeft appellante op 26 juni 2003 op het spreekuur gezien en vervolgens nog nadere informatie ingewonnen bij haar huisarts. Gelet op het dossieronderzoek, de eigen spreekuurbeoordeling en de aanvullende informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen nieuwe medische feiten en omstandigheden naar voren waren gekomen.

Bij besluit van 17 december 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, welke geheel in overeenstemming zijn met de jurisprudentie van de Raad inzake artikel 4:6 van de Awb.

Voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft het ingediende verzoek om terug te komen van het besluit van 25 januari 2001 zorgvuldig beoordeeld. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen reden te twijfelen aan diens conclusie dat de ingebrachte gegevens geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden opleveren. In navolging van de rechtbank wijst de Raad er nog op dat de door de orthopedisch chirurg O. Schreuder in diens brief van 28 november 2003 vermelde diabetesproblematiek ook reeds wordt vermeld in het huisartsjournaal, dat door de bezwaarverzekeringsarts is gezien. De brief van 27 augustus 2003 van internist Y.L. Soei is door de gemachtigde van appellante eerst in beroep overgelegd, zodat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit daarmee geen rekening heeft kunnen houden.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken op 6 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x