Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY8053
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Betrokkene was niet ongeschikt voor haar eigen werk.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3000 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 april 2004, 03/940 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.V. Kleijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn aangevuld door appellantes opvolgend gemachtigde mr. D.L.B.J. Knikkink-Wolthuis, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Appellante is, met schriftelijke kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.




II. OVERWEGINGEN


Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 5 maart 2003 heeft het Uwv het besluit van 20 augustus 2002 gehandhaafd. Daarbij is afwijzend beslist op de aanvraag van appellante tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellante na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken met ingang van 21 januari 2002 weliswaar medische beperkingen ondervond tot het verrichten van arbeid, maar dat zij desalniettemin niet ongeschikt was voor haar eigen werk van remedial teacher, dat zij laatstelijk voor haar uitval in een omvang van negen uur per week verrichtte.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit niet op een ontoereikende dan wel onjuiste medische grondslag berust en op grond daarvan dit besluit in stand gelaten. Daarbij is onder meer overwogen dat de in beroep bekend geworden medische informatie dateert van ruim na de datum in geding, zodat die niet bij de oordeelsvorming kan worden betrokken.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat in het geval medische beperkingen worden aanvaard, gelijk de bezwaarverzekeringsarts heeft gedaan, opstelling van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet achterwege had mogen blijven en dat het slechts aan de arbeidsdeskundige is om te bepalen of appellante, rekening houdend met die beperkingen, in staat moet worden geacht haar eigen arbeid te verrichten.

Hierin kan de Raad appellante niet volgen. De Raad wijst op artikel 2, zesde lid van het van toepassing zijnde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waarin juist is geregeld dat van arbeidskundig onderzoek kan worden afgezien, indien de verzekeringsarts vaststelt dat betrokkene niet ongeschikt is tot het verrichten van zijn laatstelijk uitgeoefende arbeid. Hieruit volgt dat de geschiktheid voor het eigen werk (in welk geval krachtens vaste jurisprudentie van de Raad als hoofdregel geldt dat die geen arbeidsongeschiktheid doet veronderstellen) door de verzekeringsarts zelfstandig, derhalve zonder arbeidskundige bemoeienis, kan worden vastgesteld, mits hij een voldoende duidelijk beeld heeft van de aard en zwaarte van het werk. Dit geldt ook als, gelijk in casu, door de verzekeringsarts medische beperkingen worden onderkend die naar zijn oordeel niet aan het verrichten door de betrokkene van het eigen werk in volle omvang, derhalve zonder ook enige beperking van de tijdsduur, in de weg staan. In een dergelijk geval is het ook niet nodig om een FML op te stellen. Dit maakt immers deel uit van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), welk systeem ertoe dient de resterende verdiencapaciteit te onderzoeken. Dat onderzoek is in het geval dat de betrokkene door de verzekeringsarts niet ongeschikt wordt geacht voor het eigen werk niet noodzakelijk.

De Raad voegt hieraan toe dat het vorenoverwogene onverlet laat de mogelijkheid dat de verzekeringsarts in samenspraak met de arbeidsdeskundige zich een oordeel vormt over de geschiktheid voor het eigen werk dan wel dat de verzekeringsarts die beoordeling aan de arbeidsdeskundige overlaat.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat de medische situatie van appellante, zoals deze in de op 14 januari 2004 door het Biologisch Medisch Centrum verstrekte aanvullende informatie is geschetst, ook op de datum in geding aan de orde was. De Raad kan appellante ook hierin niet volgen. Daarlatend welke waarde precies aan deze brief moet worden toegekend ontleent de Raad daaraan dat de aan dit centrum verbonden arts P.W.M. van Meerendonk begin 2004 een sterke verbetering constateerde. Die constatering is evenwel onvoldoende voor de veronderstelling dat de medische beperkingen van appellante ten tijde in geding zijn onderschat.

Gelet hierop ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusie in het rapport van 27 februari 2003 van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes niet valt te aanvaarden. Deze heeft aangegeven dat appellante bij einde van de wachttijd weliswaar verminderd belastbaar was, maar dat zij wel in staat geacht kon worden om haar niet fysiek zware arbeid in de omvang van 9 uur verdeeld over de werkweek te verrichten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat deze verzekeringsarts ermee bekend was dat appellante belast was met het op individuele basis en in kleine groepen geven van remedial teaching aan basisschoolleerlingen van groep 1 tot en met 8.
Hieruit volgt dat appellante na ommekomst van de wachttijd van 52 weken niet arbeidsongeschikt was en deswege geen aanspraak kan doen gelden op een uitkering ingevolge de WAO.

Aan de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp, neergelegd in zijn in hoger beroep ingezonden rapport van 2 augustus 2004, dat voormelde conclusie van de bezwaarverzekeringsarts Heijltjes in die zin moet worden gelezen dat de verminderde belastbaarheid van appellante niet als uiting van ziekte te verklaren is en dat de bezwaarverzekeringsarts dat ook zo heeft bedoeld, gaat de Raad voorbij, nu die opvatting niet tot een ander oordeel leidt dan hiervoor is aangegeven.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x