Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY8058
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid en vloeit deze voort uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de WAO-uitkering werd genoten?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3883 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 juni 2004, 02/2178 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 juni 2005 heeft mr. H. Brouwer een aantal verklaringen overgelegd van de behandelend cardiologen van appellant met informatie over de gezondheidssituatie van appellant in de jaren 2003, 2004 en 2005.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn neef S. Allach. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.
Ter zitting heeft appellant nog enige medische verklaringen overgelegd.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (Detam).

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 4 april 1996 heeft het Uwv appellant met ingang van 29 november 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 18 september 1996 heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van 12 november 1996 ingetrokken omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Utrecht bij uitspraak van 21 april 1998, 96/2904, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 maart 2000, 98/4383 AAW/WAO, heeft de Raad voornoemde uitspraak bevestigd.

Bij brief van 10 januari 2001 is namens appellant aan het Uwv meegedeeld dat zijn (psychische) klachten in het najaar van 2000 zodanig zijn toegenomen dat er vergeleken met 1996 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Omdat er volgens appellant sprake is van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor hij tot in 1996 uitkering ontving (psychische klachten) stelt hij zich op het standpunt dat hij voor de toename van de klachten verzekerd is en verzoekt hij toepassing van de zogenoemde Wet Amber.

Naar aanleiding van dit verzoek is appellant onderzocht door de verzekeringsarts A. van Gorsel. Uit diens rapportage van 23 juli 2001 blijkt dat hij op grond van het onderzoek en de ingewonnen informatie bij de behandelend artsen van appellant tot de conclusie is gekomen dat er geen reden is om een toename van de arbeidsongeschiktheid aan te nemen in het najaar van 2000. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2001 meegedeeld dat appellant geen recht heeft op heropening van zijn uitkering aangezien niet aan de voorwaarde wordt voldaan dat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden binnen 5 jaar na beëindiging van de uitkering per 12 november 1996 en dat de arbeidsongeschiktheid is ontstaan uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellant tot 12 november 1996 WAO-uitkering ontving.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 11 september 2002 ongegrond verklaard onder handhaving van het besluit van 16 oktober 2001.

Op verzoek van de rechtbank heeft de psychiater G.T. Gerssen onderzoek verricht. In zijn rapportage van 23 januari 2004 heeft de deskundige aangegeven dat er bij appellant begin jaren negentig niet alleen op het somatische maar ook op het vlak van de psyche problemen zijn ontstaan en dat er in de loop van de jaren een depressief toestandsbeeld is ontwikkeld. Op basis van alle dossiergegevens en de situatie in januari 2004, acht hij het aannemelijk en objectief vast te stellen dat in de afgelopen acht jaar de toestand van appellant min of meer hetzelfde is gebleven. Zijns inziens was er bij appellant van 12 november 1996 tot 12 november 2001 sprake van een dysthyme stoornis en is deze ziekte in die periode niet verergerd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daargelaten de conclusies van de deskundige Gerssen, is de rechtbank van oordeel dat aan de toekenning van de WAO-uitkering per 29 november 1995 alléén klachten van internistische en cardiologische oorsprong ten grondslag hebben gelegen en dat niet is gebleken dat beperkingen van de psychische belastbaarheid mede aan de toekenning van de uitkering ten grondslag hebben gelegen. Gelet op artikel 43a van de WAO kon de door appellant gestelde toename van zijn beperkingen waarvan de oorzaak was gelegen in de toename van zijn psychische klachten, ten aanzien van een eventuele heropening van de WAO-uitkering niet in beschouwing worden genomen.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat aan de toekenning van de WAO-uitkering per 19 november 1995 geen psychische klachten van appellant ten grondslag hebben gelegen. Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn psychische beperkingen bij de toekenning van de WAO-uitkering wel degelijk een rol hebben gespeeld. Daarbij heeft hij onder meer gewezen op de door hem in eerste aanleg overgelegde rapportage van de psychiater D. Kok van 7 april 2004 die tot de conclusie is gekomen dat er in de periode van 12 november 1996 tot 12 november 2001 sprake was van psychische klachten, welke in voornoemde periode zijn toegenomen.

Het Uwv heeft zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat van welke ziekteoorzaak er ook wordt uitgegaan, er geen sprake is van toename van de arbeidsongeschiktheid, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 43a van de WAO.

De Raad overweegt als volgt.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van 11 september 2002 in rechte stand kan houden. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en of deze voortvloeit uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de uitkering werd genoten.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan de toekenning van de WAO-uitkering per 29 november 1995 niet alleen beperkingen op internistisch en cardiologisch gebied maar ook psychische beperkingen in de belastbaarheid van appellant ten grondslag lagen. De Raad baseert zijn oordeel op de rapportage van de verzekeringsarts L. van de Boogaard van 18 oktober 1995, waaruit blijkt dat de verzekeringsarts onder meer als diagnose een psychogeen reactief klachtenpatroon heeft gesteld en dat appellant toen niet inpasbaar in loonvormende arbeid werd geacht. Voorts blijkt uit deze rapportage dat appellant is doorverwezen naar een psychiater. Uit latere rapportages van Van de Boogaard van 18 april 1996 en 16 november 1997 blijkt bovendien dat hij van mening was dat vanaf 1996 de psychische klachten van appellant afnamen. Naar het oordeel van de Raad kan derhalve in het najaar van 2000 op zichzelf wel gesproken worden van klachten die voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in artikel 43a van de WAO.

De vraag of er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid beantwoordt de Raad echter ontkennend, daarbij de conclusie volgend van de door de rechtbank ingeschakelde psychiater G.T. Gerssen, die in zijn rapportage van 23 januari 2004 heeft aangegeven dat er in de psychische situatie van appellant geen bijzondere veranderingen zijn opgetreden.
De rapportage van de psychiater Kok geeft naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten om af te wijken van de standpunten van de deskundige Gerssen. Daarnaast blijkt uit de brief van de behandelend cardioloog dr. K. van Leeuwen van 14 juni 2001 dat de hartconditie van appellant eigenlijk niet is veranderd, zodat ook op somatisch vlak niet gesproken kan worden van toegenomen beperkingen. De overige door appellant overgelegde medische informatie doet aan het voorgaande niet af, met name niet omdat deze informatie betrekking heeft op de situatie na de datum in geding.

Nu niet gebleken is van toegenomen beperkingen in de belastbaarheid van appellant, is het Uwv terecht tot de conclusie gekomen dat appellant geen recht had op heropening van zijn uitkering.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand houdt, zodat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, kan worden bevestigd.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C.M van Laar en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 september 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x