Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY8232
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3754 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 8 juni 2004, 04/541 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2006. Namens appellante is verschenen mr. Toxopeus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, voorheen werkzaam als gordijnennaaister, is uitgevallen op 13 maart 1998 met rug-, bekken-, en beenklachten bij zwangerschap. Bij het einde van de wachttijd van 52 weken is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 14 april 2003 is appellante onderzocht door verzekeringsarts T. den Daas die mede op basis van informatie van de behandelend reumatoloog een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opstelde. Op basis daarvan selecteerde arbeidsdeskundige J.J.M. van Groningen functies en berekende het verlies aan verdiencapaciteit van appellante op minder dan 15%. In overeenstemming daarmee is de WAO-uitkering van appellante bij besluit van 30 juli 2003 per 23 september 2003 ingetrokken (hierna: besluit 1). Op 1 september 2003 heeft appellante telefonisch aan het Uwv meegedeeld dat haar klachten per 29 augustus 2003 zijn toegenomen. Verzekeringsarts G.W. Alibahadoer, die haar op 11 september 2003 op het spreekuur onderzocht, was van oordeel dat de beperkingen van appellante niet waren toegenomen. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 24 september 2003 (hierna: besluit 2) geweigerd de WAO-uitkering te heropenen. Bij besluit van 8 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepalingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven. Het bestreden besluit is vernietigd, omdat de rechtbank van oordeel was dat onvoldoende was gemotiveerd waarom de geselecteerde functies voor appellante geschikt waren.

Namens appellante is in hoger beroep het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing van het bestreden besluit bestreden. Appellante acht zich op medische gronden volledig arbeidsongeschikt. Voorts heeft appellante schadevergoeding gevorderd in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en vergoeding van proceskosten in hoger beroep.

Het Uwv heeft bij zijn verweerschrift een rapport overgelegd van bezwaararbeidsdeskundige J. Noordermeer gedateerd 30 augustus 2004 en 23 mei 2005, waarin deze de passendheid van de geselecteerde functies nader heeft gemotiveerd. Naar het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige is de functie inpakker handmatig bij nader inzien ongeschikt. De drie overblijvende functies - productiemedewerker textiel, productiemedewerker industrie en lederbewerker - acht hij wel geschikt. Op basis van deze drie functies blijft de arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 15%. Gelet daarop ziet het Uwv geen aanleiding het bestreden besluit bij te stellen.

De Raad ziet in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen aanleiding te oordelen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen voor appellante te geringe beperkingen hebben aangenomen. In dat verband wijst de Raad erop dat deze artsen hun oordeel mede hebben gebaseerd op gegevens van de behandelend reumatoloog. Die gegevens wijzen erop dat de door appellante ervaren klachten niet langer medisch konden worden geobjectiveerd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de belastbaarheid van appellante in september 2003 was toegenomen. Dat appellante dit vanuit haar eigen beleving anders ervaart, kan hier niet aan afdoen.

Voorts ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat voormelde drie functies niet geschikt zouden zijn voor appellante. Gelet daarop heeft het Uwv terecht de WAO-uitkering van appellante per 23 september 2003 ingetrokken.

Appellantes melding van toegenomen klachten per 29 augustus 2003 dient naar het oordeel van de Raad te worden opgevat als een verzoek om de WAO-uitkering aansluitend aan de intrekking per 23 september 2003 te heropenen. Gelet op de bevindingen van verzekeringsarts Alibahadoer bij haar onderzoek op 11 september 2003 en de overige medische gegevens is de Raad van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft geoordeeld dat de beperkingen van appellante per 29 augustus 2003 en ook nadien niet waren toegenomen, zodat er geen aanleiding was de WAO-uitkering per 23 september 2003 te heropenen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd. Gelet daarop kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. De Raad zal deze uitspraak vernietigen en, doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x