Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY8293
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% in aansluiting op de wettelijke wachttijd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/633 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2003, 02/537 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.S. Duttenhofer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 maart 2005 heeft appellante een verklaring van S. Bissessur, psychiater, aan de Raad gestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2006. Namens appellante is verschenen mr. Duttenhofer en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A. Smithuyzen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is op 27 mei 2000 uitgevallen voor haar werk als cateringmedewerkster in verband met overspannenheid.
Bij besluit van 17 juli 2001 heeft het Uwv appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken met ingang van 26 mei 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Uitgangspunt hierbij is dat appellante, gegeven de voor haar vastgestelde beperkingen en de aan het eigen werk verbonden belastende aspecten, voor dat eigen werk niet langer geschikt is, maar nog wel in staat is om met andere werkzaamheden een zodanig loon te verwerven dat ten opzichte van het maatgevende inkomen sprake is van een verlies aan verdienvermogen van circa 18%. Bij besluit van 3 januari 2002, het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen het besluit van 17 juli 2001 gemaakte bezwaar - dat er op neerkomt dat appellante van mening is dat haar klachten onvoldoende ernstig zijn ingeschat en dat er in de functies overschrijdingen voorkomen die onvoldoende zijn gemotiveerd zodat geenszins vaststaat dat deze functies passend geacht kunnen worden - ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant haar medische bezwaren gehandhaafd en ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante de rapportage van het in haar opdracht (in het kader van haar bezwaar tegen de eerstejaarsherbeoordeling) verrichte onderzoek van psychiater D. Balraadsjing van 18 oktober 2002 overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate heeft gemotiveerd op welke wijze hij tot de conclusie is gekomen dat de verzekeringsarts de beperkingen juist heeft vastgesteld.
Met betrekking tot het rapport van Balraadsjing heeft de rechtbank overwogen dat dit rapport betrekking heeft op een periode ruim na de datum in geding (26 mei 2001).
Voor het inschakelen van een deskundige ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

In hoger beroep heeft appellante er op gewezen dat de behandelend arts een andere mening heeft over de diagnose dan de verzekeringsarts. De behandelend arts spreekt over een depressie, terwijl de verzekeringsarts de ziekte niet zo ernstig inschat (surmenage met mogelijk depressie). Appellante heeft aangevoerd dat de juiste vaststelling van de ernst van de ziekte van belang is voor de juiste vaststelling van de beperkingen. Ter zitting van de Raad heeft appellantes gemachtigde nogmaals verzocht een deskundige te benoemen.

De grieven van appellante worden door de Raad niet onderschreven. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit, wat het medisch aspect betreft, kan worden gedragen door de rapporten van de verzekeringsarts J.D. van de Nieuwegiessen en de bezwaarverzekeringsarts J.W. Hekkelman. Van de Nieuwegiessen heeft appellante zelf onderzocht en informatie ingewonnen bij de psycholoog waar appellante onder behandeling was. De verzekeringsarts heeft vervolgens beperkingen vastgesteld in het belastbaarheidspatroon. Hekkelman heeft zich blijkens het rapport van 14 december 2001 kunnen vinden in dit belastbaarheidspatroon. Het is de Raad niet gebleken dat het onderzoek naar de beperkingen van appellante onjuist of onnauwkeurig is verricht of dat appellante meer of anders beperkt is dan door de verzekeringsarts is aangenomen.
De Raad merkt nog op dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts de informatie van psycholoog B. Dehghani van 16 mei 2001 in de beoordeling hebben betrokken en dat voorts de rechtbank terecht heeft overwogen dat het in beroep overgelegde rapport van psychiater Balraadjsing (waarvan de hoofddiagnose blijkens de in hoger beroep overgelegde verklaring van 5 maart 2004 door psychiater S. Bissessur wordt onderschreven) niet ziet op de in dit geding relevante datum van 26 mei 2001.

De arbeidsdeskundige J. Kuilman heeft appellante ongeschikt geacht voor haar eigen werk als cateringmedewerkster, maar haar wel geschikt geacht om andere functies te vervullen die vallen binnen de grenzen van het opgestelde belastbaarheidspatroon en waarmee zij een verlies aan verdiencapaciteit heeft van ongeveer 18%.
Mede gelet op de toelichting op de gemarkeerde punten door de bezwaarverzekeringsarts acht de Raad de arbeidskundige component van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling juist.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 september 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x