Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY8593
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Is de arbeidskundige onderbouwing voldoende? CBBS. Zijn er voldoende functies geduid?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4277 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 juni 2004, 03/1374 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M. Lagerwaard.




II. OVERWEGINGEN


Voor de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

In dit geding is aan de orde de vraag of het Uwv terecht heeft besloten om appellante per 16 april 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat zij per die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en het beroep tegen het besluit van 6 november 2003 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met name betekenis toegekend aan de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen van 22 oktober 2003.

Wat betreft de medische kant van de onderhavige schatting verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Tjen is, ook naar het oordeel van de Raad, niet gebleken dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor haar geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. Daarbij neemt de Raad, evenals de rechtbank, in aanmerking dat er kenbaar aandacht is geschonken aan de informatie van de behandelend internist, neuroloog en huisarts van appellante. Tevens zijn van de zijde van appellante geen nadere medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.

De in dit geding aan de orde zijnde schatting is uitgevoerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, heeft de Raad overwogen dat hem niet gebleken is van redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaarbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad heeft voorts overwogen dat vanwege de hem gebleken onvolkomenheden van het CBBS, uiterlijk bij het besluit op bezwaar de schatting dient te zijn voorzien van een zodanige deugdelijke toelichting en motivering, dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. In de reeds lopende zaken, waarin aan laatstvermelde eis niet is voldaan, dient het bestreden besluit in beginsel vernietigd te worden. Indien het Uwv het besluit in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep alsnog voorziet van de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of motivering, kan er aanleiding zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

De Raad stelt vast dat blijkens het arbeidskundig rapport van 25 januari 2005, twee oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten samensteller printplaten (SBC-code 111180) en inpakster koekjes (SBC-code 111190), zijn komen te vervallen. Er zijn blijkens genoemd rapport echter reservefuncties geselecteerd, zodat ook na het vervallen van de twee oorspronkelijke functies voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen resteren. In voornoemd rapport heeft de bezwaararbeidsdeskundige naar het oordeel van de Raad toereikend gemotiveerd waarom de voor de schatting gebruikte resterende functies door appellante kunnen worden vervuld. Nu deze toelichting eerst in hoger beroep is gegeven bestaat er, gezien het vorenoverwogene, aanleiding het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, doch met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het aan appellante het betaalde griffierecht van 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x