Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY8626
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Is de medische beoordeling juist?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3245 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 27 mei 2004, 03/5317, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006.




I. PROCESVERLOOP

  
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006.
Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.




II. OVERWEGINGEN


Voor de voorgeschiedenis van dit geding verwijst de Raad naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 23 januari 2004 (02/5390 WAO). Bij die uitspraak heeft de Raad beslist dat het Uwv de aan appellant met ingang van 6 december 1993 toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) terecht met ingang van 20 december 1999 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Op 28 januari 2003 heeft een verzekeringsarts, kennelijk naar aanleiding van een opgave van appellant dat zijn klachten waren gewijzigd, een rapport uitgebracht waarin wordt geconcludeerd dat, ondanks een veelheid aan klachten, geen sprake is van toename van de medische problematiek.

Bij besluit van 5 februari 2003 is aan appellant meegedeeld dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ongewijzigd blijft vastgesteld naar 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid.

Namens appellant is tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan is hij onderzocht door bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger. Deze achtte de nekklachten van appellant wel objectiveerbaar, maar zag daarin geen aanleiding om de in 1999 vastgestelde beperkingen toegenomen te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft verder nog kennis genomen van het door appellants huisarts op 15 september 2003 verstrekte journaal, maar zag in de daarin in oktober 2001 vermelde nekklachten bij gebreke van objectieve gegevens geen reden om meer beperkingen aan te nemen. Ditzelfde gold ten aanzien van het door appellants gemachtigde in de bezwaarfase nog overgelegde rapport van 25 november 2003 van mevr. Verhage, directrice van Instituut Psychosofia.

Bij besluit van 8 december 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts uitgebrachte rapporten.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft in grote lijnen de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.

Naar het oordeel van de Raad heeft voornoemde bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 18 augustus 2003, met de aanvullingen van 7 oktober 2003 en 2 december 2003, genoegzaam aannemelijk gemaakt dat op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, geen grond bestaat om appellant, ondanks diens toegenomen klachten, meer beperkt te achten dan in 1999 is vastgesteld. Het door mevr. Verhage, directrice van Instituut Psychosofia, geleverde commentaar van 25 november 2003, 9 december 2003 en 13 april 2004 op de gedingstukken heeft de Raad niet kunnen overtuigen van de onjuistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts.
  
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x