Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY8697
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Nader besluit. Eerst na afloop van de wettelijke beslistermijn op het verzoek meent het UWV gehouden te zijn wettelijke rente te vergoeden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6470 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 oktober 2005, 05/117 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

Datum uitspraak: 31 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluit van 17 juni 1992 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 28 februari 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 8 mei 1995 is het WAO-dagloon ingaande 22 februari 1995 herzien. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 17 maart 2003 heeft appellant bij besluit van 10 april 2003 het WAO-dagloon ingaande 22 februari 1995 verhoogd. Bij besluit op bezwaar van 30 september 2004 is het dagloon ingaande 22 februari 1995 nog verder verhoogd.

Bij besluit van 15 november 2004 heeft appellant een bedrag ad € 320,97 aan wettelijke rente toegekend. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 17 januari 2005 is het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2004 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant vanaf 16 maart 2003 tot 4 november 2004 wettelijke rente heeft vergoed over de nabetalingen.

Volgens de rechtbank dient appellant ingaande 1 juli 1992 wettelijke rente te vergoeden.

Appellant erkent dat het besluit van 17 juni 1992 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van lange tijd verzocht om herziening van het dagloon. Eerst na afloop van de wettelijke beslistermijn op het verzoek van 17 maart 2003 meent betrokkene [lees: appellant, red.] gehouden te zijn wettelijke rente te vergoeden. Nu bij het besluit van 15 november 2004 al ingaande 16 maart 2003 wettelijke rente is toegekend, is betrokkene niet tekort gedaan, aldus appellant.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant. Uit de uitspraak van de Raad van 14 juli 2005 (LJN AU0008) volgt dat het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

Het voorgaande betekent echter niet dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Ter zitting is gebleken dat appellant heeft verzuimd rente over rente toe te kennen.
De rechtbank heeft dan ook het bestreden besluit terecht vernietigd, zij het op onjuiste gronden. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.

De Raad ziet in één en ander aanleiding appellant te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) C.M.T. Kruls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x