Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY8750
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting met behulp van het CBBS. Motivering. Instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/6151 WAO en 04/1951 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 oktober 2003, 02/2392 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G.T. Varwijk, werkzaam bij het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Varwijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. van Werven.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als commercieel medewerker bij handelsonderneming Maatkracht voor 40 uur per week en is op 26 februari 2001 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens psychische klachten en maag-/darmklachten.

De verzekeringsarts B.M.Th. Philipsen heeft appellant op 25 januari 2002 onderzocht en heeft hierover op dezelfde dag een rapport uitgebracht. In dit rapport is vermeld dat appellant enige beperkingen heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van spanningsklachten en bepaalde persoonlijkheidskenmerken die invloed hebben op de samenwerking met anderen. Philipsen heeft de voor appellant vastgestelde mogelijkheden en beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 januari 2002. Naar aanleiding van verkregen informatie van de behandelend psycholoog A.J. Uyterlinde heeft Philipsen op 25 maart 2002 een aanvullend rapport uitgebracht, waarin als conclusie is vermeld dat de belastbaarheid van appellant in de FML juist is weergegeven. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige R. van Kessel met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) arbeidskundig onderzoek verricht en hierover op 4 april 2002 een rapport uitgebracht. Hierin is aangegeven dat, gezien de loonwaarde die aan de voor appellant geselecteerde functies kan worden ontleend, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder bedraagt dan 15%. Bij besluit van 5 april 2002 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat per 25 februari 2002 geen uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt toegekend.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen appellant gehoord, aanvullende informatie verkregen uit de behandelend sector en op 4 september 2002 een rapport uitgebracht. Van Kempen heeft geconcludeerd dat in ruim voldoende mate rekening is gehouden met de psychische beperkingen van appellant en dat de aan hem voorgehouden functies passend zijn. Bij besluit van 3 oktober 2002 (besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat de medische beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld. De rechtbank was evenwel voorts van oordeel dat de aan appellant voorgehouden functie van telemarketeer (sbc-code 516180) voor hem niet geschikt kan worden geacht en dat, nu er slechts twee geschikte functies resteren, besluit 1 op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat zijn beperkingen op psychisch vlak zijn onderschat. In dit verband heeft hij een expertiserapport ingebracht van de psychiater W.H.J. Mutsaers van 4 februari 2005.

Het Uwv heeft, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, nader arbeidskundig onderzoek verricht en op 2 april 2004 een nieuw besluit op bezwaar genomen (hierna: besluit 2). Aan dit besluit ligt mede ten grondslag het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog van 24 februari 2004. Hierin is onder meer vermeld dat appellant geschikt kan worden geacht voor functies uit een tiental sbc-codes en dat de mate van arbeidsongeschiktheid nog steeds op minder dan 15% moet worden gesteld.

De Raad heeft aanleiding gezien de psychiater R.P. Soeters als deskundige te raadplegen. Soeters heeft op 18 januari 2006 een rapport uitgebracht. In reactie op dit rapport heeft het Uwv een rapport ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts Van Kempen van 14 maart 2006. Naar aanleiding van deze reactie heeft Soeters zijn rapport van 18 januari 2006 bij brief van 3 april 2006 toegelicht.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat besluit 2 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen. De Raad zal besluit 2 op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede bij zijn beoordeling betrekken. Het beroep van appellant wordt mede gericht geacht tegen besluit 2. Voorts geldt dat het belang van appellant bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1 in beginsel is komen te vervallen tenzij van zon belang blijkt, bijvoorbeeld omdat is verzocht om toekenning van schadevergoeding. Van dit laatste is in dit geval geen sprake en ook anderszins is niet van een belang gebleken. In verband hiermee dient het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot besluit 2 oordeelt de Raad als volgt.

De deskundige Soeters heeft appellant onderzocht en kennis genomen van de in het dossier aanwezige medische stukken. Op basis van zijn onderzoek heeft Soeters geconcludeerd dat appellant op 25 februari 2002 leed aan een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken en dat er daarnaast sprake was van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven. Soeters heeft aangegeven zich niet te kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Volgens Soeters was appellant, gezien zijn persoonlijkheidsproblematiek, op een aantal aspecten binnen de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen. Soeters heeft voorts met betrekking tot een aantal, binnen vijf sbc-codes vallende, functies aangegeven dat deze, gezien de voor appellant geldende beperkingen, voor hem ongeschikt zijn.

In de jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van de door hem ingeschakelde onafhankelijke deskundige in beginsel pleegt te volgen. Dit kan, onder meer, anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een partijdeskundige moet worden afgeleid dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Een dergelijke bijzondere situatie doet zich hier niet voor. De Raad ziet in hetgeen namens het Uwv is aangevoerd geen aanleiding de conclusies van Soeters niet te volgen. Hierbij merkt de Raad op dat hij het standpunt van het Uwv dat Soeters geen beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid als gevolg van ziekte of gebrek heeft vastgesteld niet volgt, nu Soeters in zijn brief van 3 april 2006 heeft aangegeven dat bij appellant sprake is van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven die hem in zijn functioneren beperkt.

Gezien het rapport van Soeters en mede gezien het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog van 17 februari 2005 resteren naar het oordeel van de Raad voldoende geschikte functies waarop de onderhavige schatting kan worden gebaseerd. Aangezien besluit 2 vr 1 juli 2005 is genomen en pas in hoger beroep een toereikende onderbouwing is gegeven voor de met behulp van het CBBS uitgevoerde schatting, zal de Raad besluit 2 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, maar de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand laten. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 9 november 2004 met de LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.

De Raad heeft aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van het door appellant in hoger beroep ingebrachte rapport van de psychiater Mutsaers van 4 februari 2005, welke kosten worden begroot op 1.350,65 en de reiskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van 11,40.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van besluit 2 geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 2.006,05 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 87,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x