Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY9124
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Hangende het beroep laat betrokkene zelf een deskundige rapporteren. Alsnog toekenning van een gedeeltelijke WAO-uitkering. Is de medische en arbeidskundige grondslag juist? Kostenveroordeling?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/5202 WAO en 05/5991 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2003, 02/3560 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2005. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor. Na heropening van het onderzoek is de zaak opnieuw behandeld ter zitting van 16 augustus 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Samsom.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster voor 32 uur per week, is op 6 februari 2001 uitgevallen met hand- en polsklachten. De verzekeringsarts constateerde bij onderzoek een dystrofie aan de rechterhand en een RSI aan de linkerhand en stelde een aantal beperkingen vast die hij neerlegde in een belastbaarheidspatroon. Uitgaande van deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige vier functies geselecteerd, te weten de functies van operator centrale brugbediening (fb-code 9734), secretaresse verpleegafdeling (fb-code 3213), verkoopster kleding (fb-code 4911) en telefoniste/receptioniste (fb-code 3804), en heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee is appellante bij besluit van 25 februari 2002 met ingang van 5 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) geweigerd.

In bezwaar heeft appellante twee rapporten van Instituut Psychosofia van respectievelijk 19 maart 2002 en 3 juli 2002 ingebracht. In laatstgenoemd rapport zijn argumenten naar voren gebracht waarom in dit geval de vaststelling van de belastbaarheid op de datum in geding niet op juiste gronden zou hebben plaatsgevonden. Bij dit rapport was informatie van de behandelend sector, waaronder een medisch journaal van huisarts R.C. de Smalen, gevoegd. Mede naar aanleiding hiervan hebben (bezwaar)verzekeringsartsen S.C. Hekkelman-de Bie en F. Ronkes in hun rapport van 13 september 2002 geconcludeerd dat het bezwaar, medisch gezien, ongegrond is. Dienovereenkomstig is het bezwaar van appellante bij het bestreden besluit van 19 december 2002 (hierna: besluit I) ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante nog een rapport van Instituut Psychosofia van 13 mei 2003 ingebracht. In dit rapport is het standpunt nader toegelicht. Ook hierbij was informatie van de behandelend sector gevoegd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit I ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante in meer algemene zin vraagtekens gezet bij de beoordeling van de medische grondslag van een WAO-schatting door rechters die niet zelf arts zijn. Voorts heeft zij een rapport van arbeidsdeskundige G.J. van Assen van 4 oktober 2003 ingebracht, waarin is aangegeven dat niet alle geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn te achten. Daarbij is tevens gewezen op mogelijke beperkingen als gevolg van reeds langere tijd bij appellante bestaande rugklachten. Naar aanleiding van dit rapport hebben bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels en bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards in hun rapporten van respectievelijk 26 januari 2004 en 4 februari 2004 aangegeven geen aanleiding te zien hun eerdere standpunten te wijzigen. Bij brief van 2 augustus 2005 heeft het Uwv aangegeven dat bezwaarverzekeringsarts J. Kokenberg (ook) geen aanleiding ziet om in verband met de gestelde rugklachten zwaardere beperkingen aan te nemen. In het bij deze brief gevoegde rapport van bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 2 augustus 2005 is voorts meegedeeld dat de functie van secretaresse verpleegafdeling (fb-code 3213) vervalt en dat dit, in verband met het feit dat geen nieuwe functies kunnen worden geselecteerd, leidt tot een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Desgevraagd heeft appellante bij brief van 30 augustus 2005 de proceskosten nader gespecificeerd en heeft bezwaararbeidsdeskundige F. Oudmaijer in zijn rapport van 15 augustus 2005 het standpunt van het Uwv nader toegelicht.

In aansluiting hierop is het bezwaar van appellante bij besluit van 27 september 2005 (hierna: besluit II) gegrond verklaard en is haar met ingang van 5 februari 2002 alsnog een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, toegekend.

De Raad stelt voorop dat, aangezien met besluit II aan het beroep van appellante tegen besluit I niet geheel is tegemoet gekomen, dit beroep, ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit II.

Wat betreft de medische component van de aan besluit II ten grondslag gelegde schatting overweegt de Raad als volgt.

Met betrekking tot hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over de beoordeling van de medische grondslag van een WAO-schatting door rechters die niet zelf arts zijn, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 juli 2005, (LJN AT9828).

De Raad ziet voorts in de beschikbare medische informatie noch in hetgeen appellante overigens op dit punt heeft ingebracht of aangevoerd, aanleiding om te oordelen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding door de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist is ingeschat. Wat betreft het rapport van Instituut Psychosofia van 19 maart 2002 verwijst de Raad naar zijn inmiddels vaste jurisprudentie over de waarde van het door Instituut Psychosofia verrichte onderzoek. Ten aanzien van de rapporten van Instituut Psychosofia van 3 juli 2002 en 13 mei 2003 overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn eerder genoemde uitspraak van 13 juli 2005, dat (ook) in dit geval de door dat Instituut naar voren gebrachte argumenten de Raad niet hebben kunnen overtuigen. Daarbij heeft de Raad overwogen dat de bij het rapport van 3 juli 2002 gevoegde informatie van de behandelend sector, in het bijzonder het medisch journaal van huisarts De Smalen, door de (bezwaar)verzekeringsartsen Hekkelman-de Bie en Ronkes bij hun oordeel in bezwaar is meegewogen en dat de bij het rapport van 13 mei 2003 gevoegde informatie van de behandelend sector geen ander licht werpt op de medische situatie van appellante op de datum in geding. De stelling van appellante, dat zij als gevolg van de rugklachten mogelijk meer beperkingen ondervindt dan zijn aangenomen, is naar het oordeel van de Raad voldoende weerlegd in het rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Thillo-Nadels, alsmede in de reactie van bezwaarverzekeringsarts Kokenberg, als neergelegd in de brief van het Uwv van 2 augustus 2005.

Ten aanzien van de arbeidskundige component van de schatting overweegt de Raad het volgende.

De Raad heeft vastgesteld dat de onderhavige schatting thans nog is gebaseerd op drie functies, te weten de functies van operator centrale brugbediening (fb-code 9734), verkoopster kleding (fb-code 4911) en telefoniste/receptioniste (fb-code 3804).
Voorts heeft de Raad vastgesteld dat bij de functies van operator centrale brugbediening en verkoopster kleding sprake is van wisselende diensten waarvoor een toeslag wordt verleend, terwijl in het maatvrouwinkomen geen toeslagen voor afwijkende arbeidstijden waren opgenomen.
Onder verwijzing naar hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 3 december 2004 (LJN AR7641) met betrekking tot de reikwijdte van artikel 9, aanhef en onder g, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat, nu blijkens de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen Van Mastrigt en Oudmaijer, in het onderhavige geval maar één functie zonder toeslagen voor afwijkende arbeidstijden voor appellante geschikt bleek, het Uwv in overeenstemming met het bepaalde in genoemd artikelonderdeel, in dit geval terecht tevens (twee) functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden heeft geselecteerd. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de onderhavige schatting op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust. Daarbij merkt de Raad nog op het rapport van arbeidsdeskundige Van Assen op dit punt voldoende weerlegd te achten door het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Wijngaards.

Nu het Uwv heeft aangegeven besluit I niet langer te handhaven en appellante heeft verzocht om een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade, en zij derhalve belang heeft bij een gegrondverklaring van het beroep, komt dit besluit, evenals de aangevallen uitspraak, voor vernietiging in aanmerking.

Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering ingevolge de WAO. De Raad acht dit verzoek toewijsbaar.
Wat betreft de wijze van berekening van de wettelijke rente, volstaat de Raad met een verwijzing naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995, 314 (LJN ZB1495).

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. De kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 966,--.

Met betrekking tot de overige proceskosten overweegt de Raad dat appellante in hoger beroep tevens heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, de kosten voor het opvragen van inlichtingen bij de behandelend sector ad € 149,70, de kosten voor het uitbrengen van de rapporten van Instituut Psychosofia ad € 1.939,13 en de kosten voor het uitbrengen van het rapport van arbeidsdeskundige Van Assen ad € 264,75.

Met betrekking tot de kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar stelt de Raad vast dat aan appellante hiervoor blijkens besluit II reeds een bedrag ad € 644,-- is toegekend.

Ten aanzien van de kosten voor het opvragen van inlichtingen bij de behandelend sector overweegt de Raad dat het Uwv deze kosten bij besluit II heeft afgewezen onder de overweging dat deze kosten niet vallen onder het Bpb. De Raad kan het Uwv hierin niet volgen. Naar het oordeel van de Raad dienen deze kosten te worden aangemerkt als kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Nu appellante deze kosten naar het oordeel van de Raad voldoende heeft gespecificeerd, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. In het voorgaande ligt tevens besloten dat de kosten voor het opvragen van inlichtingen bij de behandelend sector bij besluit II ten onrechte zijn afgewezen.
Hieruit volgt dat besluit II, voorzover dat betrekking heeft op het afwijzen van deze kosten, eveneens voor vernietiging in aanmerking komt.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 april 2005 (LJN AT4323) en op grond van dezelfde overwegingen als in die uitspraak gegeven, stelt de Raad verder vast dat ook in dit geval geldt dat de rapporten van Instituut Psychosofia niet zijn aan te merken als rapporten van een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Evenmin vallen de rapporten onder artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. De met het uitbrengen van die rapporten gemoeide kosten komen derhalve niet voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking. De kosten van het rapport van arbeidsdeskundige Van Assen komen tot slot wel voor vergoeding in aanmerking.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 december 2002 gegrond;
Vernietigt het besluit van 19 december 2002;
Verklaart het beroep, voorzover dat wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 27 september 2005 en voor zover dat besluit betrekking heeft op het afwijzen van de kosten voor het opvragen van inlichtingen bij de behandelend sector, gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;
Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.380,45, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 116,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x