Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY9197
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Is de belastbaarheid overschat? Is er aanleiding een deskundige in te schakelen?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2462 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 april 2004, 03/885 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. Van Overloop, voornoemd, enige nadere stukken ingediend, waarop door het Uwv is gereageerd. Vervolgens is door de gemachtigde nog een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.R. Moes, kantoorgenoot van mr. Van Overloop.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, die via een uitzendbureau werkzaam was als magazijnmedewerker, heeft zich op 25 januari 2002 ziek gemeld met chronische lage rugklachten. In het kader van de aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is appellant op 6 november 2002 gezien door de verzekeringsarts R. van der Vlies. Op voorschrift van zijn behandelend chirurg droeg appellant een corset. Van der Vlies stelt als diagnose: a-specifieke rugpijn. Hij acht appellant minder geschikt voor zwaar rugbelastend werk. Appellants mogelijkheden worden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellant wordt beperkt geacht voor buigen tot plus minus 60 en voor duwen en trekken, en licht beperkt voor tillen of dragen en voor lopen en staan.
De registerarbeidsdeskundige A.M.P.T. van Kuijk ziet appellant op 17 januari 2003.
Zij rapporteert dat appellant werkzaam was in drieploegendienst. De gemiddelde duur van de werkweek was 42,88 uur. Het maatmaninkomen wordt bepaald op 11,84 bruto per uur. De maatmanfunctie wordt niet meer geschikt geacht. Na selectie van passende functies wordt de resterende verdiencapaciteit - na toepassing van de reductiefactor - vastgesteld op 9,99 bruto per uur. Op die basis bedraagt het arbeidsongeschiktheidspercentage 15,62.
Bij besluit van 23 januari 2003 is de uitkomst van de schatting aan appellant medegedeeld.

In bezwaar zijn namens appellant gegevens uit de behandelende sector ingebracht, waaronder gegevens van de huisarts en de orthopedisch chirurg J.J.M. Ogink.
Door appellant is onder meer naar voren gebracht dat hij naast lichamelijke klachten ook psychische klachten heeft, die het hem niet mogelijk maken om te werken.
De bezwaarverzekeringsarts A.W.M. Korzilius overweegt, blijkens een rapportage van 4 april 2003, dat in bezwaar niets naar voren is gekomen dat aanleiding zou kunnen geven de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. De spanningsklachten van appellant dateren, blijkens de ingebrachte gegevens, van 1999. Appellant heeft er duurzaam mee kunnen werken. Deze klachten veroorzaken geen duurzame beperkingen en behoeven geen nadere vermelding in de FML. De rugklachten bestaan sinds 2000.
De bevindingen van de primaire verzekeringsarts kunnen worden gehandhaafd.
De vastgestelde belastbaarheid behoeft geen herziening.

Bij besluit van 15 april 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant de in bezwaar aangevoerde grieven in essentie herhaald.
Het Uwv heeft desgevraagd de 'Resultaat Eindselectie' aan de rechtbank doen toekomen. Het Uwv heeft verder een rapportage ingezonden van de bezwaararbeidsdeskundige Blom van 1 maart 2004. Daaruit blijkt dat enkele van de eerder geselecteerde functies dienen te vervallen in verband met de gestelde opleidingseisen. Dit leidt echter niet tot wijziging van de indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De door appellant ingebrachte informatie geeft geen reden tot twijfel. De rechtbank ziet alles overwegende onvoldoende aanleiding tot inschakeling van een deskundige. Verder is de rechtbank voldoende overtuigd van de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

In hoger beroep wordt bestreden dat de belastbaarheid van appellant correct is vastgesteld. Namens appellant zijn nog medische gegevens van de huisarts ingebracht. Gevraagd wordt om benoeming door de Raad van een deskundige.

Bij de onder I genoemde brief van mr. Van Overloop is namens appellant naar voren gebracht dat de in bezwaar overgelegde rapportage van de orthopedisch chirurg Ogink geen betrekking heeft op appellant, maar op een naamgenoot. Ter zitting van de Raad is door de gemachtigde van appellant verzocht de verwijzingen in de gedingstukken naar deze rapportage buiten beschouwing te laten.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat hij geen gronden ziet om appellant niet te volgen in diens verzoek de rapportage van Ogink, en de verwijzingen hiernaar in de gedingstukken, buiten beschouwing te laten.

De opvatting van appellant dat door het Uwv zijn belastbaarheid met arbeid is overschat, kan de Raad niet volgen. Ten aanzien van de psychische belastbaarheid van appellant kan de Raad zich verenigen met het hiervoor weergegeven oordeel van de bezwaarverzekeringsarts Korzilius. Door appellant zijn geen medische gegevens in het geding gebracht die de Raad aan dit oordeel hebben doen twijfelen. Met betrekking tot de belastbaarheid van appellant in verband met zijn rugklachten zijn, nu de rapportage van Ogink is ingetrokken, geen specialistische gegevens in het geding gebracht. Ook in dit opzicht ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. De Raad voegt hieraan toe dat de namens appellant in hoger beroep ingebrachte gegevens van de huisarts, voor zover het hierbij gaat om nieuwe gegevens, betrekking hebben op een periode ruim na de datum in geding. De Raad kan aan die gegevens dan ook niet die betekenis hechten die appellant daaraan gehecht zou willen zien. De Raad concludeert dat de medische grondslag van het bestreden besluit bij hem niet op bedenkingen stuit. Het voorgaande betekent tevens dat de Raad geen aanleiding ziet om een deskundige in te schakelen.

Ook anderszins is de Raad niet gebleken van gronden om het bestreden besluit voor onjuist te houden. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x